TOEAREG.

DE PSYCHEDELISCHE SOUNDTRACK VOOR TERRORISME IN DE SAHEL.

Het Amerikaanse, in wereldmuziek gespecialiseerde label Sublime Frequencies bracht in 2007 en 2008 twee felgesmaakte lp’s uit met opnames van Nigerese Toearegblues: “Guitars from Agadez vol. 1 & 2” van respectievelijk Group Inerane en Group Bombino. Toearegblues is niet echt een nieuw fenomeen: denk maar aan Tinariwen die het schopten tot voorprogramma van The Rolling Stones (en gingen lopen met de twijfelachtige eer als grootste invloed voor de laatste van Coldplay, maar dit terzijde). De Sublime Frequencies-lp’s klonken echter te obscuur, te vreemd en te slecht opgenomen om echt kans te maken op een werelddoorbraak, maar ze onderscheidden zich wel door een ongehoorde urgentie.

Tekst : Niels Latomme

Deze muziek blijkt haar urgentie – van het soort waar westerse avant-garde en underground een ernstige punt aan kan zuigen – te ontlenen aan een heilig vuur dat ontstoken werd door opstanden, verbanning, trots en krijgerschap. De confrontatie van een eeuwenoude, nomadische cultuur met ecologische veranderingen, economische verdrukking en de gevolgen van de westerse kolonisatie creëerde in de Sahara een explosieve situatie. Dit artikel schetst kort de historische, economische en politieke context van de Toeareg, vanuit de idee dat alle kunst weliswaar politiek is, maar dat de invloed ervan bij sommige vormen net dat ietsje nijpender blijkt te zijn.

Het Blauwe Volk

Toearegblues is een amalgaan van traditionele Tamasheqliederen (Tamasheq is de taal van de Toeareg) en westerse psychedelische blues, die dan voornamelijk door Jimi Hendrix werd beinvloed. De Toearegvolkeren zijn oude, nomadische volkeren die tot het begin van de 20e eeuw de Sahara- en de trans-Saharahandelsroutes beheersten. In het begin van de 20e eeuw worden hun gebieden gekoloniseerd door Frankrijk en komen ze onder de heerschappij van dit land, wat het verval betekent van hun macht over de Sahara.

Toeareg waren voor de kolonisatie geen verenigd volk, maar een verzameling losse confederaties, elk in ongeveer een dozijn in standen georganiseerde stammen. Er waren drie standen: de adel, de vazallen en de slaven, meestal zwarte Afrikanen. Etnisch verwant aan Berbers werden ze de “lichthuidigen” genoemd, anderen noemden ze het “Blauwe Volk” naar hun indigokleurige kleding en naar de blauwe schijn die het blauwe pigment op hun huid achterliet. Ze namen het islamitische geloof over van Arabische handelaars, hoewel ze nooit strikte beoefenaars zijn geweest.

De Toearegs verspreidden zich over de Centraal- en West-Sahara, en een deel van de Noordwestelijke Sahel, een regio die zich uitstrekt over Algerije, Libië, Mali, Niger en Burkina Faso.

Na de kolonisatie vestigde een deel van de Toeareg zich en werd boer. In Mali en Niger bleef het echter grotendeels een nomadisch volk. Het zijn dan ook die twee landen die sinds de onafhankelijkheid het brandpunt werden van opstanden en herhaaldelijke conflicten tussen Toearegrebellen en de regeringen. Niet toevallig is dit ook het brandpunt van de Toearegblues.

Onafhankelijkheid

De kiem van de opstanden ligt in de onafhankelijkheid van Mali, Niger, Algerije, Libië en Burkina Faso. De kunstmatige grenzen die Frankrijk door de Sahara trok in 1960 hielden geen rekening met de gebieden waarin de Toeareg rondzwierven. Een tweede factor was hun loyaliteit aan de stam, en minder aan een overkoepelende nationaliteit – Toeareg beschouwen zich niet als Malinees of Nigerees. Het trotse volk verloor daardoor zijn aandeel in de regeringen, waardoor er nauwelijks met hen rekening werd gehouden. De niet-sedentaire Toearegstammen werden zo in de marginaliteit gedwongen , die steeds erger werd in de daaropvolgende decennia. Ondanks hun eeuwenlange overheersing, werden de Toeareg zo het slachtoffer van een even oude wrok die andere volkeren koesteren. Het woestijnvolk werd beschouwd als dieven, opportunisten, luiaards, smokkelaars, oproerkraaiers, enzovoort. Zoals joden werden nomadische handelsvolkeren nooit goed bejegend. Dit omwille van hun rijkdom en ongrijpbaarheid.

Uit frustratie namen de Toeareg in Mali rond 1961 de wapens op tegen de regering, die bestond uit leden van sedentaire volkeren die geen voeling hadden met de noden van de “pastorale”, nomadische volken in het land. De opstanden, die bestonden uit willekeurige raids, werden echter bloedig neergeslagen. Even wreed als duizenden jaren ervoor in Mesopotamië tegen de raids van de bergvolkeren uit de Iraanse hoogvlakte. De Malinese regering startte een “preventieve” onderdrukking tegenover alle Toeareg – al dan niet rebellen – waardoor een groot deel wegvluchtte naar Algerije en Libië, alwaar ze in vluchtelingenkampen terechtkwamen.

De daaropvolgende jaren werd de haat en de frustratie gevoed door een ecologische factor: tussen 1968 en 1974 werd de Sahara en de Sahel (het gebied onder de Sahara) geteisterd door aanhoudende droogtes waardoor een groot deel van het vee van de Toeareg stierf. Begraasbare stukken land werden door de droogte en de uitbreiding van de Sahara steeds schaarser. Dit duurde tot diep in de jaren tachtig, waardoor nog meer Toeareg wegvluchten en hun traditionele levenswijze verlieten. Op het eind van de jaren tachtig beloofde de Malinese regering echter steun aan het berbervolk, waardoor velen terugkeerden. De regering faalde hier echter in waardoor de spanningen ten top werden gedreven. Dit leidde tot een tweede Toearegopstand, oftewel de Malinese burgeroorlog.

De Tweede

Toearegopstand

(1990-1995)

In april en mei 1990 voerden de rebellen verschillende raids uit op overheidsgebouwen. Twee jaar later riepen de Toeareg een onafhankelijke regio in Mali uit, Kidal. De belangrijkste eis van de rebellengroepen (versplinterd in een aantal groeperingen) was een eigen autonome staat. Die eis werd gevoed door het tekort aan vruchtbare stukken en door de jarenlange onderdrukking van de nomadische Toeareg.

Gelijktijdig ontstond in Niger, waar de muziek van Group Inerane en Group Bombino weerklinkt, eveens een opstand. De aard van deze was enigszins anders, de oorzaken lagen eerder op economisch-politiek niveau en minder op ecologisch-historisch niveau.

Niger en de streek rond Agadez staat in voor 72% van de wereldwijde productie van uranium. Ondanks die natuurlijke rijkdommen, is Niger een van de armste landen ter wereld omdat de dictatoriale regering van generaal Seyni Kountché – sinds 1974 aan de macht door een militaire coup – de ontginning van de mijnen leasede aan onder andere Areva, een Frans bedrijf. De rijkdom vloeit zo rechtstreeks weg uit Niger naar het westen, zonder dat de Nigerese bevolking hier iets van ziet. De rebellen, voornamelijk Toeareg, maar aangevuld met andere volkeren, eisten met de raids een herverdeling van de natuurlijk rijkdommen voor hun broeders. De spanningen culmineren in 1990 met een raid op een politiekantoor, waarop de Nigerese regering antwoordde met de arrestatie, foltering en het doden van verschillende Toeareg. Dit wordt algemeen beschouwd als het begin van de tweede Toearegopstand.

Tussen 1990 en 1995 werden de mijnontginnig en het toerisme rond Agadez steeds meer het doelwit van raids en ontvoeringen. Het doel: de regering en de buitenlandse bedrijven hun winsten blokkeren en hen zo te dwingen de rijkdom te herverdelen.

Uiteindelijk kwam, dankzij diplomatie van Libië en Algerije, in 1995 de Malinese regering tot een bestand met de Toeareg. De voorwaarden waren de integratie van de Toearegstrijdkrachten in het Malinese leger, in ruil voor het repatrieren van duizenden vluchtelingen terug naar Mali en hulp om hen te helpen integreren in een productief burgerleven. Deze strijdkrachten waren opgeleid in het Libië van Kadafi tijdens de ballingschap in de jaren tachtig. Libië steunde de Toeareg doelbewust om de regeringen in Mali en Niger te destabiliseren. Ook in Niger wordt het “bestand van Ouagadougou” getekend, met als belofte - ook tegen het opnemen van de strijdkrachten in het regeringsleger – een betere verdeling van de economische rijkdommen.

De opstand 2007

tot nu

In 2007 breekt in Niger een volgende culminatie van geweld uit. Omdat aan de belangrijkste oorzaak van de Malinese burgeroorlog gehoor werd gegeven – de oprichting van een autonoom gebied – verschoof het brandpunt van de Toearegopstand naar Niger. Hierdoor krijgt de opstand meer en meer sociaaleconomische dimensie: de Malinese opstandelingen streden in het begin van de jaren negentig voor hun eigen volk, in tegenstelling eiste het Nigerese Movement for Justice (NMJ), geleid door Mohamed Acharif (veteraan uit de tweede opstand) een herverdeling van de natuurlijke rijkdommen voor de hele Nigerbevolking. Niet enkel de regering vormt het doelwit, maar ook buitenlands personeel van de ontginningsbedrijven. Het NMJ beweert dat de regering haar beloften van tien jaar terug nog steeds niet nakwam, wat de cijfers en de armoede staven. Areva kreeg bovendien concurrentie van verschillende Chinese ondernemers, een probleem dat heel Afrika kent, die het nog minder nauw nemen met de mensenrechten. De opstand blijft tot op heden voortduren, en heeft zijn invloed op de Malinese rebellen die sporadisch raids uitvoeren, hoewel minder georganiseerd.

In Niger blijft de regering nog steeds de mensenrechten schenden, hoewel ook de rebellen zich hieraan bezondigen. Vandaag is persvrijheid en dus ook artistieke expressie een halszaak.

Muziek

De opstanden, de gedwongen emigratie en de onderdrukking is zo bepalend voor de Toearegvolkeren en het dagelijkse leven dat muziek uiteraard niet aan die invloed ontsnapt. De Libanese vluchtelingenkampen bleken naast vruchtbare bodems voor terrorisme en rebellie, evenzeer een bloeiende muzikale bodem. Tinariwen (niet toevallig Tamasheq voor “lege plaatsen”, lees: de woestijnen) ontstond in 1982 in die vluchtelingenkampen. Group Bombino en Inerane maken muziek vanuit een door het regeringsleger bezet Agadez, het centrum van de uraniumwinning en van het toerisme en bijgevolg sinds 2007 centrum van de opstand.

Ironisch genoeg geven Toeareg expressie aan hun woede, hoop en frustraties door traditionele Tamasheqliederen te injecteren met westerse muziek, terwijl het westen en meerbepaald de kolonisatie oorzaak is van hun problemen. Of herkenden ze de wanhoop en het zwarte bewustzijn van hun broeders, de slaven in Amerika die de blues speelden? Hadden Toeareg zelf geen zwarte slaven vroeger? Misschien ligt het eerder aan hun eeuwenoude handelsverleden waardoor Toeareg altijd openstaan voor externe culturele invloeden. Het is waarschijnlijk de combinatie van tegenstrijdige factoren die hun muziek zo sterk maakt: een combinatie van voor ons herkenbare, meer <i>outer limits</i> psychedelische muziek, gedreven door de urgente wanhoop en eeuwenoude trots, in combinatie met actuele problemen zoals klimaatopwarming en het leegroven van de natuurlijke rijkdommen van het westen en een meer, wat ze in het westen, linkse en “underground”-houding noemen. Uiteraard wisten de meesters van niet-westerse undergroundmuziek er de hand op te leggen, het op de juist manier (vuil, slecht en on the fly) op te nemen zodat het enigma nog groter werd. Postkolonialisme of vanuit een authentieke visie een platform bieden aan bannelingen en onderdrukten uit vergeten oorlogen?

Group Doueh (geen Toeareg, maar muzikaal wel verwant aan Toearegblues) speelt samen met Syrisch Jihadi Technoster Omar Souleyman’ op 7 juni in KC België. Neil Young speelt dan ook trouwens, in het Sportpaleis.