MANGOD  
 

Canvas en coke
 
De twee kerels zitten in het café. Ze hangen aan de toog. Ze drinken allebei bier. Ze zijn allebei lichtjes dronken. Ik ben gestopt met schilderen, zegt de zwartharige kerel tegen de blonde kerel. Hij snuift diep.
Je meent het niet, zegt de blonde.
Toch wel, zegt de zwartharige. Toch wel.
En waarom dan wel, vraagt de blonde.
Mijn canvas is op, zegt de zwartharige.
Je canvas is op, zegt de blonde.
Mijn canvas is op, zegt de zwartharige.
Dan koop je toch gewoon nieuw canvas, zegt de blonde.
Ik bespaar me die moeite, zegt de zwartharige.
Schilderen is toch je leven, zegt de blonde.
Is ook zo, zegt de zwartharige. Is ook zo. Dat heb je goed gezien. En dat heb je goed gezegd. Is ook zo. Hij snuift diep.
En waarom stop je dan, vraagt de blonde.
Ik zei het toch, mijn canvas is op, zegt de zwartharige.
Koop toch nieuw canvas, zegt de blonde.
Ik schilder niet voor mezelf, zegt de zwartharige.
Je moet schilderen omdat je daar plezier aan hebt, zegt de blonde. Als jíj daar plezier aan hebt, dan is het toch oké. Of niet soms?
Oké, oké? Moet ik soms schilderen, en die schilderijen boven op zolder blijven stapelen? Daar heeft niemand iets aan.
Dat is toch oké, als jíj je met het schilderen amuseert.
Daar heeft niemand iets aan.
Spreek mensen aan.
Wat denk je dat ik de hele tijd doe, zegt de zwartharige. Ik doe niets anders. En ik ben het beu om te horen dat mijn werk niet is zoals ze het zich voorstelden.
Kan gebeuren.
De zwartharige snuift diep. Sorry mijnheer, maar uw werk is niet wat we ons ervan voorstelden, zegt hij. Hoe dikwijls ik dat al heb moeten horen. Ik ben het beu. Sorry mijnheer, maar uw werk is niet wat we ons ervan voorstelden. Sorry mijnheer, sorry mijnheer. Beu ben ik het. Beu ben ik het. Beu. Altijd hetzelfde liedje. Beu ben ik het. Hij snuift diep.
Kan gebeuren.
Beu ben ik het.
Kan gebeuren.
Mijn canvas was vorige week op en ik dacht, ik stop ermee. Ik stop met schilderen. Beu ben ik het.
Je moet tentoonstellen. Als ik in jouw plaats was, zou ik gewoon tentoonstellen.
Tentoonstellen? Ik probeer niets anders dan mijn werk tentoongesteld te krijgen. Je weet niet hoe groot mijn schilderijen zijn. Monsterpanelen zijn het. Tentoonstellen? Waar dan wel? Als niemand geïnteresseerd is.
Je moet je eens informeren.
Me informeren, zegt de zwartharige. Me informeren? Ik doe niets anders. Hij snuift diep.
Je moet blijven proberen.
En iedere keer te horen krijgen dat het niet was, wat ze zich ervan voorstelden. Sorry mijnheer, maar het is toch niet wat we ons ervan voorstelden. Sorry mijnheer, sorry mijnheer. Beu ben ik het. Beu.
Stel in het station tentoon, zegt de blonde.
Beu ben ik het.
Stel in het station tentoon, zegt de blonde. Heb je daar al aan gedacht, zegt hij. In het station.
Het station? Hoe kom je daarbij?
Dat is toch groot genoeg voor je grote panelen.
Het station? Daar kom ik alleen maar om mijn coke te kopen, zegt de zwartharige. Hij snuift diep.
Je kunt er voor de afwisseling ook eens tentoonstellen, zegt de blonde.
Daar kom ik alleen om mijn coke te kopen, zegt de zwartharige. Wat luider.
De barman kijkt zijn richting uit.
Hopelijk heb ik niets verkeerds gezegd, zegt de zwartharige.
Och, Peter kan er wel tegen, zegt de blonde.
Daar kom ik alleen om mijn coke te kopen, zegt de zwartharige nog eens. Ik heb daar niets verloren, daar aan het station. Hij snuift diep.
Ik zou me eens informeren, zegt de blonde. Die baas van het stationsbuffet is best een redelijke kerel. En, hij weet niet veel van kunst af.
Hoe bedoel je, zegt de zwartharige.
Niets bijzonders, hij weet gewoon niet veel van kunst af.
Je bedoelt, hij kan geen goede kunst van slechte kunst onderscheiden, zegt de zwartharige.
Niet precies, zegt de blonde.
Maar dat bedoel je toch?
Eigenlijk bedoel ik dat, ja, zegt de blonde.
En dat hij mij niet zal afwimpelen, omdat hij niet ziet dat ik geen goede kunst maak, zegt de zwartharige.
Neen, dat bedoel ik niet.
Een beetje toch wel.
Neen, dat bedoel ik helemaal niet.
Zeker van, vraagt de zwartharige.
Ik bedoel, hij zal waarschijnlijk niet zoveel noten op zijn zang hebben. Hij is misschien blij dat er iemand wil tentoonstellen.
Zou ik het eens proberen, zegt de zwartharige.
Ik zou het zeker proberen, zegt de blonde.
Zou ik?
Zeker doen.
Nee, ik bespaar me die moeite, zegt de zwartharige. Ik blijf erbij. Ik stop met schilderen. Het kan toch geen toeval zijn dat mijn canvas op is en dat de tekenwinkel thuis in de straat zijn deuren sluit. Het kan geen toeval zijn. Ik stop ermee. Hij snuift diep.
Dat vind ik echt zwak, stoppen omdat je canvas op is, zegt de blonde.
Ik vind daar niets zwaks aan.
Echt zwak vind ik dat, zegt de blonde.
En de tekenwinkel in de straat sluit. Nog een goede reden.
Er zijn toch nog andere tekenwinkels in de stad, zegt de blonde.
Ja, maar Van Gogh was mijn lievelingswinkel.
Was Van Gogh je lievelingswinkel of is die verkoopster daar je lievelingsverkoopster, vraagt de blonde.
Die verkoopster heeft er niets mee te maken, zegt de zwartharige.
Zeker van?
Bij Van Gogh hebben ze alles wat ik nodig heb. Het is er niet duur en ik hoef nooit ver te slepen. Het is thuis op de hoek. Ik hoef nooit ver met mijn spullen te slepen.
En er is die brunette.
Die verkoopster heeft er niets mee te maken, zegt de zwartharige. Die heeft er niets mee te maken.
Zeker van?
Het ging me om hun spullen, en niet om die brunette die die spullen inpakt en afrekent, zegt de zwartharige.
Daar ben ik toch niet zo zeker van, zegt de blonde.
Loop je straks mee naar het station, vraagt de zwartharige.
Ga je het toch vragen, zegt de blonde.
Vragen, zegt de zwartharige. Wat vragen?
Vragen of je er mag tentoonstellen, zegt de blonde.
De zwartharige snuift diep. Neen, ik ga een grammetje coke halen, zegt hij.
Coke?
Ja, coke.
Zou je niet beter canvas halen?
Ik heb toch gezegd dat ik stop met schilderen, zegt de zwartharige.
Ik zou de moed zo vlug niet opgeven, zegt de blonde. Trouwens, weet je wie er in die nieuwe tekenwinkel, op de Grote Markt, werkt?
Interesseert me niet.
Je zult nochtans verbaasd zijn, zegt de blonde.
Interesseert me helemaal niet, zegt de zwartharige.
Wedden van wel, zegt de blonde.
Wedden van niet, zegt de zwartharige.
Lisa werkt daar.
De zwartharige hapt naar adem.
Lisa, zegt de blonde.
Lisa, vraagt de zwartharige.
Lisa, herhaalt de blonde.
Toch niet dé Lisa, vraagt de zwartharige.
Dé Lisa, zegt de blonde.
De zwartharige hapt weer naar adem.
Dé Lisa, zegt de blonde.
Lisa, zegt de zwartharige. Lisa, zegt hij.
Dé Lisa, zegt de blonde nog eens.
Peter, nog twee bier voor hier, roept de zwartharige. Hij snuift diep.
De barman knikt, tapt twee glazen bier en zet ze voor het tweetal neer.
En, hoe gaat het met het schilderen, vraagt de barman aan de zwartharige.
Komt eindelijk vaart achter, zegt de zwartharige.
Ik ben blij voor jou, zegt de barman.
Ja, binnenkort stel ik tentoon, zegt de zwartharige.
Is het je dan eindelijk gelukt, vraagt de barman.
Het werd tijd, zegt de zwartharige.
Het werd tijd, zegt de barman.
Ja, het werd tijd, zegt de zwartharige.
En waar stel je tentoon, vraagt de barman.
In het station, zegt de zwartharige. Hij snuift diep.
In het station, zegt de barman.
In het station, zegt de zwartharige.
Ik ben blij voor jou, zegt de barman.
Fijn dat je zo sportief bent, zegt de zwartharige.
De barman wordt door een jongeman weggeroepen.
Je gaat het dus vragen, zegt de blonde.
Hoe bedoel je, zegt de zwartharige.
Je gaat dus vragen of je in het station mag tentoonstellen?
Vragen? Hij zal toch toestemmen zeker? Wat denk je, die baas van het buffet zal toch wel toestemmen zeker?
Ik ben er niet zeker van, maar ik denk van wel, zegt de blonde.
Je denkt van wel?
Ik denk van wel. Hij weet dan niet veel van kunst af, maar hij heeft er toch graag rond zich hangen.
Drink je biertje uit, zegt de zwartharige.
Waarom opeens zo’n haast, vraagt de blonde.
We zijn weg, zegt de zwartharige.
Waar gaan we naartoe, vraagt de blonde.
We gaan eerst canvas kopen, in die nieuwe winkel op de Grote Markt, dan haal ik me een grammetje coke, en dan gaan we naar het stationsbuffet, zegt de zwartharige. Hij snuift diep. Drink op, dan zijn we weg, zegt hij. Hij snuift nog eens.
De twee drinken hun glas bier leeg.
We zijn weg, zegt de zwartharige. We zijn weg. Ik zie het weer helemaal zitten. Hij snuift diep.
Het tweetal verlaat het café.
Dag Peter, roepen ze beiden in koor.
De barman steekt zijn hand op. Tot later, roept hij.
Je komt toch naar mijn tentoonstelling, roept de zwartharige.
Tot later, roept de barman nog eens.
Ik hou je op de hoogte, roept de zwartharige.
Tot later, roept de barman nog eens.