MANGOD  
 

De bus
 
De man wacht op de bus. Hij ijsbeert. Hij wacht al een kwartier. Hij ijsbeert al een kwartier. Twee rijpere vrouwen, een blonde en een zwartharige, komen ook aan de halte staan.
Is de drieënnegentig al voorbij, vraagt de zwartharige vrouw aan de man.
De man stopt met ijsberen. Daar wacht ik ook op, zegt hij. Die is nog niet voorbij. Hij kijkt op zijn horloge. En ik wacht al een kwartier, zegt hij.
Die zal dadelijk wel hier zijn, zegt de blonde vrouw. Die zal dadelijk wel hier zijn, zegt ze nog eens.
De man begint weer te ijsberen. Morgen heb ik mijn auto eindelijk terug, denkt hij. Het werd tijd. Een week zonder auto. Dat is niet te doen. Op die bussen kun je niet rekenen. Ze zijn nooit op tijd. Niet te doen.
De twee vrouwen steken een sigaret op. Ik meen dat, zegt de blonde vrouw tegen de zwartharige. Zoals ik daarnet al zei, er is geen kleur van pil die ik niet heb moeten slikken, zegt ze. Elke kleur pil heb ik al geslikt.
Ik geloof je, zegt de zwartharige vrouw. Ik geloof je. Mijn psychiater schreef ook altijd maar pillen voor. En altijd andere. Ik heb ook bijna elke pil gehad. Iedere keer dat ik zei dat ik me niet goed voelde, schreef hij iets anders voor. Ik durfde hem op het laatste niet meer te vertellen hoe ik me voelde. Zo bang was ik, dat hij me weer iets anders zou voorschrijven.
Geen kleur van pil die ik niet heb moeten slikken, zegt de blonde vrouw. Haldol, Etumine, Valium, Xanax, Tranxène, Risperdal, noem maar op. Blauw, wit, geel, lichtroze, donkerroze, paars, noem maar op. Ik heb ze allemaal geslikt. Elke kleur heb ik al geslikt.
De man stopt met ijsberen. Zou de bus nog wel komen, zegt hij. Hij kijkt op zijn horloge. Hij is zo laat, zegt hij.
De twee vrouwen kijken elkaar aan.
De bus is nooit op tijd, zegt de blonde.
De bus is altijd te laat, zegt de zwartharige.
Hij is toch wel erg laat, zegt de man.
De bus is nooit op tijd, zegt de blonde. Geduld is een goeie zaak, zegt ze.
Geduld, zegt de man. Hij begint weer te ijsberen. Dat is nu al de derde keer in één jaar dat die verdomde auto het laat afweten, denkt hij. De derde keer in één jaar. Niet te geloven. Drie keer in één jaar.
Elke kleur pil heb ik al geslikt, zegt de blonde vrouw.
Doe zoals ik, zegt de zwartharige. Ik ben van een psychiater naar een psycholoog overgestapt.
Elke kleur heb ik al geslikt, zegt de blonde vrouw.
Doe zoals ik, zegt de zwartharige. Doe zoals ik. Ik ben van een psychiater naar een psycholoog overgestapt.
En, vraagt de blonde.
Geen pillen meer. En ik voel me stukken beter, antwoordt de zwartharige.
Geen pillen meer, zegt de blonde.
Geen pillen meer, zegt de zwartharige. Alleen een slaappil.
Alleen een slaappil, zegt de blonde.
Alleen een slaappil en twee milligram Haldol ‘s morgens.
Je zei toch, geen pillen meer, zegt de blonde.
Alleen een slaappil. En twee milligram Haldol ‘s morgens, zegt de zwartharige. En als het me ‘s middags niet gaat, dan neem ik een Tranxène.
Je zei toch, geen pillen meer, zegt de blonde.
Geef toe, dat is toch weinig, zegt de zwartharige. Twee milligram Haldol, alleen ‘s morgens. Dat is toch niks.
Neen, dat is niet zo veel, zegt de blonde. En die Tranxène, vraagt ze.
Die neem ik bijlange niet elke dag, zegt de zwartharige. Alleen als het me echt niet gaat. Alleen die twee milligram Haldol neem ik elke dag. Twee milligram. Dat is toch niks.
Neen, dat is niet zo veel, zegt de blonde. Ik heb elke kleur pil al geslikt. Noem een kleur, en ik heb zo’n kleur pil geslikt.
Alleen twee milligram ‘s morgens, zegt de zwartharige.
Elke kleur heb ik al geslikt, zegt de blonde vrouw. Elke kleur.
De derde keer in één jaar dat ik autopech heb, denkt de man. De derde keer in één jaar tijd dat die verdomde auto het laat afweten, denkt hij. En ik heb die verdomde auto nog maar twee jaar. Hij vloekt zachtjes.
De twee vrouwen kijken allebei naar de man. De man stopt met ijsberen. Hij kijkt naar de twee vrouwen. En hij vloekt nog eens. Heel zachtjes.
Een jonge vrouw komt ook aan de halte staan. Is de drieënnegentig al door, vraagt ze.
Nog niet, zegt de blonde.
Die komt zo, zegt de zwartharige.
De man begint weer te ijsberen. Die is veel te laat, zegt hij.
Zoals altijd, zegt de jonge vrouw. Gelukkig maar, dan heb ik hem nog, zegt ze. Anders had ik hem gemist.
De blonde vrouw bekijkt de jonge vrouw van kop tot teen. Ken ik u niet, juffrouw, vraagt ze. Ik ben er zeker van dat ik u ken, zegt ze.
De jonge vrouw kijkt naar de blonde vrouw. Ze zegt niets.
Ik ben er zeker van dat ik u ken, zegt de blonde vrouw.
Ik zou niet weten van waar, zegt de jonge vrouw.
Ik ben er zeker van dat ik u al eens eerder gezien heb, zegt de blonde vrouw.
Ik zou echt niet weten waar, zegt de jonge vrouw.
Ik denk, ik denk dat ik u een paar keer in het Psychosociaal Centrum gezien heb, zegt de blonde vrouw.
De jonge vrouw bloost.
Ik heb u daar een paar keer gezien, zegt de blonde vrouw. Kan dat, vraagt ze.
De jonge vrouw bloost weer. Ze schraapt haar keel. Ik kwam daar vroeger wel eens, zegt ze. Tot drie maanden geleden kwam ik daar regelmatig bij de psychiater. Drie maanden geleden ben ik daarmee gestopt. Ik ga nu naar een andere psychiater.
Misschien moet ik wel een andere auto kopen, denkt de man. Drie keer autopech in één jaar is toch te veel. Dat is minstens twee keer te veel.
Bent u tevreden over uw nieuwe psychiater, vraagt de zwartharige vrouw.
Nogal, zegt de jonge vrouw.
Wie is uw nieuwe psychiater, vraagt de blonde vrouw.
Petermans, zegt de jonge vrouw.
Petermans, zegt de blonde.
Petermans, zegt ook de zwartharige.
Petermans, zegt de jonge vrouw nog eens.
Verdomde auto, denkt de man. En die bus komt maar niet. Verdomde bus. Ik ga nog te laat zijn, denkt hij. Hij vloekt.
De drie vrouwen kijken naar de man. De man stopt met ijsberen. Hij vloekt nog eens. Die verdomde bus, zegt hij. Die laat toch wel erg lang op zich wachten.
De bus is nooit op tijd, zegt de blonde vrouw.
De bus is altijd te laat, zegt de zwartharige.
Hij zal zo wel komen, zegt de jonge vrouw.
Dat duurt toch wel erg lang, zegt de man.
Geduld is een goeie zaak, zegt de blonde.
Geduld, zegt de man. Hij begint weer te ijsberen.
Dus, u bent tevreden over Petermans, zegt de zwartharige tegen de jonge vrouw.
Nogal, zegt de jonge vrouw.
Petermans, is dat niet die ene met die zieke moeder, vraagt de blonde vrouw.
Dat is die, zegt de jonge vrouw.
Ik dacht het wel, zegt de blonde.
Dat is die, zegt de jonge vrouw. Hij is psychiatrie gaan studeren omdat zijn moeder heel erg ziek was, zegt ze.
En, hij heeft haar kunnen helpen ook, zegt de blonde. Dat is knap. Ik had er al van gehoord, zegt ze.
Ik had er ook al van gehoord, zegt de zwartharige. Een goede motivering om psychiatrie te gaan studeren, zegt ze. Een goede motivering. Om je zieke moeder te helpen. Een heel goede motivering.
Vind ik ook, zegt de jonge vrouw.
Schrijft die veel pillen voor, die Petermans, vraagt de blonde.
Valt mee, zegt de jonge vrouw. Dat valt heel goed mee.
Wat schrijft hij ú allemaal voor, vraagt de zwartharige.
Ik neem een halve Mogadon voor het slapen gaan. En een Etumine. En ‘morgens en ‘s avonds een Xanax. En als ik te mismoedig ben, neem ik ‘s morgens twee Xanax-en.
Dat is niet niks, zegt de zwartharige vrouw.
Nee, dat is niet niks, zegt de blonde.
Dat valt heel goed mee, vind ik, zegt de jonge vrouw. Er zijn tijden geweest dat ik veel meer medicatie moest nemen.
Nooit meer koop ik een tweedehands auto, denkt de man. Dat was de laatste keer dat ik een tweedehands auto heb gekocht. Nooit meer, denkt hij.
Ik heb al elke kleur pil geslikt, zegt de blonde vrouw. Elke kleur heb ik al geslikt.
Ik ben overgestapt van een psychiater naar een psycholoog, zegt de zwartharige vrouw.
Élke kleur heb ik al geslikt, zegt de blonde vrouw.
Psychologen, daar heb je niets aan, zegt de jonge vrouw.
Elke kleur pil heb ik al geslikt, zegt de blonde vrouw. Élke kleur. Noem een kleur en ik heb zo’n kleur pil geslikt.
Ik ben overgestapt van een psychiater naar een psycholoog, zegt de zwartharige vrouw.
Psychologen, daar heb je niet veel aan, zegt de jonge vrouw.
Hoe bedoel je, vraagt de zwartharige vrouw.
Ik weet niet, zegt de jonge vrouw. Dat is zo een gevoel dat ik heb. Ik heb zo geen goede ervaringen met psychologen, denk ik.
Die verdomde bus, denkt de man. Straks ben ik te laat. De volgende keer dat ik autopech heb, koop ik een nieuwe wagen. Geen tweedehands auto meer. Een spiksplinternieuwe wagen. Een spiksplinternieuwe. Verdomde bussen.
Een bus komt in de verte aangereden. Daar is de bus, zegt de blonde vrouw.
De man stopt met ijsberen. Hij slaakt een zucht. Het werd tijd, zegt hij. Het werd hoog tijd.
De bus is altijd te laat, zegt de zwartharige vrouw.
De bus is nooit op tijd, zegt de blonde vrouw. Geduld is een goeie zaak.
De bus komt dichterbij. Het is de drieënnegentig niet, zegt de jonge vrouw. Het is de vijfenveertig.
De man vloekt luid.
De drieënnegentig zal zo wel komen, zegt de zwartharige vrouw.
De man vloekt nog eens.
Geduld is een goeie zaak, zegt de blonde vrouw.
Geduld, zegt de man.
De bus stopt aan de halte. Een jong koppel stapt uit. De man roept naar de chauffeur. Jullie zijn nooit op tijd, roept hij. Waar blijft de drieënnegentig? Jullie zijn altijd te laat. Nooit op tijd.
Er zijn problemen aan de overweg geweest, roept de buschauffeur terug. De drieënnegentig zal zodadelijk hier zijn. Ik kan er niks aan doen. Problemen aan de overweg.
Het is altijd hetzelfde, roept de man.
Ík kan er niks aan doen, roept de buschauffeur. Hij sluit de deuren en rijdt verder.
Het is altijd hetzelfde, roept de man.
Jaag u niet op, mijnheer. Niet goed voor het hart, zegt de blonde.
Dus, u bent tevreden over Petermans, zegt de zwartharige vrouw tegen de jonge vrouw.
Nogal, zegt de jonge vrouw.
Het is altijd hetzelfde, zegt de man.
Jaag u niet op, mijnheer, zegt de blonde. Niet goed voor het hart. Geduld is een goeie zaak.
Geduld, zegt de man. Geduld. Hij begint weer te ijsberen.
Misschien moet ik ook wel overschakelen op Petermans, zegt de zwartharige vrouw.
Ik verander niet meer van psychiater, zegt de blonde. Wie weet wat een andere psychiater me allemaal weer gaat voorschrijven. En ik heb al elke kleur pil geslikt.
Misschien moet ik ook wel overschakelen op Petermans, zegt de zwartharige vrouw.
Elke kleur pil heb ik al geslikt, zegt de blonde. Élke kleur. Wit, geel, lichtblauw, donkerblauw, roze, paars, noem maar op. Ik heb ze allemaal geslikt.
Een nieuwe auto, denkt de man. Nog één keer pech en ik koop me een nieuwe auto. Een spiksplinternieuwe auto. Hij stopt met ijsberen. Een rode. Een knalrode, denkt hij.
Petermans, zegt de zwarharige vrouw.
Elke kleur heb ik geslikt, zegt de blonde vrouw. Élke kleur.
Een bus komt in de verte aangereden. Daar is de bus, denk ik, zegt de jonge vrouw.
De bus komt dichterbij. Het is de drieënnegentig, zegt de zwartharige vrouw.
Ja, het is de drieënnegentig, zegt de blonde.
De man slaakt een diepe zucht. Het werd tijd, zegt hij. Het werd hóóg tijd.
De bus stopt aan de halte. De drie vrouwen en de man stappen op de bus. De bus rijdt verder.