MANGOD  
 

De Tattooshop
 
Een klein pand in het centrum van een middelgrote stad.  Buiten is het ijzig koud, in de shop gezellig warm.  De muren hangen vol tekeningen en foto's van getatoeëerde klanten.  De tatoeëernaald zoemt.  Een jonge kerel, jonger dan twintig, ligt op een bank.  Pieter, frisse twintiger, uitbater van de zaak zit voorovergebogen in zijn bovenarm te prikken.  Een derde kerel, de oudste van het stel, zit achter de schrijftafel en leest de krant.
Het is rustig in de shop.  Niemand is het afgelopen halfuur over de vloer geweest.  De dertiger rookt af en toe een sigaret en geeft commentaar bij het nieuws van de dag.
‘Moet je horen.  “Moeder zet hennepplantage op zolder op, om verslaving van haar kinderen te onderhouden.”  Stel je voor, wanneer ze ontdekt dat er geld mee te verdienen valt, wordt haar huiskamer zelfs een echte koffieshop.’
Pieter zegt niets.  De klant lacht.  ‘Slimme moeder,’ zegt hij.
De dertiger slaat een bladzijde om.  ‘Je houdt het niet voor mogelijk, de eerste onbemande camera werkt niet.  Niemand weet hoe je haar moet bedienen.’
‘Is toch normaal,’ zegt Pieter, ‘een onbemande camera moet je niet bedienen, daarom is zij onbemand.’  Ze moeten er alle drie om lachen.
De deurbel gaat.  Kerel in lederen broek en jekker, met helm in de hand komt binnen en begroet Pieter.  Hij zet zijn helm neer, neemt het bovenste tijdschrift van een stapel en bladert erin, terwijl hij naar Pieter kijkt.  Hij legt het tijdschrift terug, drentelt wat rond en zet zich op een krukje.
‘Hoe is het met je tattoo, Steven?’ vraagt Pieter.
Steven loopt rood aan.  ‘Alles in orde,’ zegt hij.  ‘Ik denk wel dat er barsten in zijn.’
‘Je hebt er toch niet aan gekrabd?’ vraagt Pieter.  Hij trekt zijn wenkbrauwen op.  ‘Laat eens kijken.’
Steven ontbloot zijn bovenlijf.  Op zijn rug wordt een groot yin-yang teken zichtbaar.  Het sterrenbeeld vissen is erin verwerkt.
Pieter legt de tatoeëernaald neer en inspecteert zijn rug.  ‘Dat,’ zegt hij, ‘dat zijn geen barsten, dat is nieuw vel.’  Hij knikt goedkeurend.  ‘Dat ziet er goed uit.  Wat vinden je vrienden ervan?’  Hij buigt zich weer over zijn klant.
Steven loopt opnieuw rood aan.  ‘Iedereen vindt hem heel geslaagd.’  Hij wordt nog wat roder.  ‘Ik ben er heel blij mee,’ zegt hij.
Hij trekt zijn pull aan, neemt het tijdschrift van de stapel en gaat zitten.  Hij staat op, legt het tijdschrift terug en schraapt zijn keel.
‘Pieter,’ zegt hij, ‘wanneer kan ik je eens spreken?’
Pieter kijkt niet op.  ‘Waarom?’ vraagt hij.
 ‘Ik zou je onder vier ogen willen spreken.’
‘Is het dringend?’  Hij kijkt nog steeds niet op.
‘Niet echt.’
‘Waarover gaat het?’
‘Dat kan ik nu niet zeggen.’
Pieter legt de naald neer.  ‘Rookpauze,’ zegt hij tegen de klant.  ‘Steven, het is toch niet erg zeker?’
Steven loopt weer rood aan.  ‘Het is heel erg,’ zegt hij zachtjes.
Pieter steekt een sigaret op.  ‘Je hebt me nieuwsgierig gemaakt,’ zegt hij.  Hij neemt zijn agenda en bladert erin.  ‘Morgen zou gaan,’ zegt hij.  ‘Ik begin om twee uur.  Om halftwee zou kunnen, dan is er nog niemand.’
Steven schudt het hoofd.  ‘Dat zal niet gaan.  Morgen moet ik werken.’
Pieter slaat een blad om.  ‘Overmorgen op hetzelfde uur gaat ook.’  Hij klapt zijn agenda dicht.  ‘Nu heb je me echt nieuwsgierig gemaakt,’ zegt hij.  ‘Waarover gaat het?’
‘Ik kan het nu echt niet zeggen,’ zegt Steven.
De dertiger onderbreekt het gesprek.  ‘Pieter,’ zegt hij, ‘als je dadelijk klaar bent met je klant, dan stap ik op.  Dan kunnen jullie praten.’
Pieter gaat er niet op in.  ‘Kun je dat nu echt niet zeggen,’ dringt hij aan.
Nu wordt Steven vuurrood.  ‘Oké,’ zucht hij, ‘de tatoeage staat op zijn kop.’
Even is het muisstil.  Pieter dooft zijn sigaret.  Ook zijn gezicht wordt rood, maar niet zo rood als dat van het slachtoffer.
De dertiger vouwt de krant dicht.  De jonge klant glimlacht.
‘De tatoeage staat op zijn kop,’ herhaalt Steven.
‘Onmogelijk!’  Pieter schiet overeind en gaat naar een tafel met een stapeltje fotoboeken.  ‘Ik heb de tatoeage gezet zoals ze in het boek staat.’  Hij zoekt tussen de albums en vist er een uit.  ‘Kijk eens,’ zegt hij, ‘zo heb ik haar gezet, zoals het hier staat.’  Hij toont de foto.
Steven schudt het hoofd.  ‘Ik weet dat het er zo instaat,’ zucht hij, ‘maar zo is het verkeerd.  Het moet net andersom.’
‘Ben je er zeker van?’  vraagt Pieter.
‘Ja,’ antwoordt hij, ‘zoals het er nu staat is het alsof zwart overwint op wit.  Het kwade op het goede.’  Hij slaakt een diepe zucht.  ‘Waarom moet mij dat altijd overkomen?’
‘Als ik dat in andere boeken opzoek, staat het er iedere keer anders in,’ zegt Pieter overtuigd.  ‘Ik zal het bewijzen.’  Hij lijkt zeker van zijn stuk.
De jonge klant en de dertiger kijken elkaar aan.
Pieter pakt een album en doorbladert het snel.  ‘Kijk eens,’ glimlacht hij, ‘hier staat het er nog anders in.’
‘Pieter,’ zegt de dertiger, ‘waar is dat boek over symbolen?  Daar zal dat ook wel instaan.’
‘Daar, boven links,’ zegt Pieter, en hij wijst naar een rek met tijdschriften.
‘Ik heb het al,’ zegt de dertiger.  Hij zet zich terug achter de schrijftafel en bladert in de pocket.
‘En, en?’ vraagt Steven ongeduldig.
‘Ik heb het.  Wacht, laat me eerst even lezen.’
‘Wie weet, heb ik het kwade wel over me gehaald,’ jammert Steven.  ‘Dat mij dat altijd moet overkomen.’
‘Opgelost!’ zegt de dertiger.  ‘Het gaat om een mannelijke en een vrouwelijke kant.  Dus niets goed of kwaad.  Trouwens, het gaat om een cirkel en een cirkel kun je van alle kanten bekijken, die heeft geen boven- of onderkant.’
‘Hoe staat de tekening erin?’  vraagt Steven aarzelend.
De dertiger toont hem de afbeelding.  ‘Kijk, nog anders dan de twee anderen.  Een cirkel heeft geen boven- of onderkant.  Het is maar hoe je hem bekijkt.’
Steven glimlacht.  ‘Maar goed dat ik ben gekomen,’ zucht hij opgelucht.
‘Je kan toch niet zeggen dat de mannelijke kant of de vrouwelijke kant de goede kant is,’ zegt Pieter nog.
‘Oké,’ zegt Steven.  ‘Oké, jullie hebben gelijk.’  Het lijkt of hij het nu meent.  ‘En te bedenken dat ik dacht dat ik het kwade over me had gehaald.’  Hij trekt zijn jekker aan.  Met zijn helm in de ene hand en zwaaiend met de andere loopt hij naar de deur.  Hij draait zich om, glimlacht en zwaait nog even.
De deurbel gaat als hij het pand verlaat.  Ze moeten alle drie even lachen.  Pieter buigt zich over de klant.  De dertiger steekt een sigaret op en vouwt de krant open.  De tatoeëernaald zoemt.