MANGOD  
 

Katten
 
De vrouw schrikt wakker. Die katten van hiernaast zitten weer aan de vuilzakken, zegt ze zachtjes. Die twee vieze rosse katers, zegt ze. Bang is ze van die beesten. Grote, dikke dieren zijn het. Bang is ze van die katten. Ze draait zich naar haar man toe en schudt hem wakker. Die beesten van hiernaast zitten weer aan de vuilzakken, zegt ze. Die vieze, dikke beesten van hiernaast.
Hoe laat is het, vraagt haar man en kijkt op de klok op het nachtkastje. Je maakt me toch niet wakker voor die stomme katers van hiernaast, zegt hij. Je maakt me om zes uur toch niet wakker voor die katers.
Ik kan niet meer slapen, zegt de vrouw. Ik sta op. De slaappil is uitgewerkt. Die rotkatten. Ik kan niet meer slapen, ik sta op. Haar man gaat op zijn zij liggen en bromt iets onverstaanbaars. De vrouw stapt uit bed, trekt haar kamerjas aan en gaat naar de badkamer. Ze laat de warmwaterkraan lopen tot het water warm is, maakt een washandje nat en wrijft ermee door haar gezicht. Dan poetst ze vluchtig haar tanden. Ze trekt een rok en een zelfgebreide trui aan en gaat naar de keuken. Die verdomde katten, zegt ze. Altijd hetzelfde met die verdomde katten.
Ze zet koffie en drinkt een kop rechtopstaand, geleund tegen de gootsteen. Ze neemt uit drie verschillende dozen een pil. Altijd maar pillen, zegt ze. Altijd maar pillen. Die verdomde suiker. En die verdomde bloeddruk. Pillen, pillen, pillen. Dag in, dag uit. Pillen, pillen, pillen. Verdomde suiker. Verdomde bloeddruk. Verdomde pillen. Ze slikt de pillen een voor een met kleine slokjes koffie door. Ze schenkt zich nog een kop koffie in, neemt een reclamefolder van de kast, en gaat aan de tafel zitten. Ze slaat een blad van de folder om en staart voor zich uit.
Haar man komt de keuken binnen. Wat een uur, zegt hij. Je had me toch kunnen laten slapen, zegt hij. Omdat die katten jou wakker maken, moet je mij nog niet wakker maken, zegt hij. Die rotbeesten. Ik zou ze moeten neerknallen. Ja, dat zou ik moeten doen. Weg met die beesten.
Wil je koffie, vraagt de vrouw.
Ja, koffie, zegt de man. Kan ik goed gebruiken op dit uur. Die rotbeesten. Weg ermee.
Melk, vraagt de vrouw. Wil je melk of drink je je koffie zwart vandaag?
Weg met die beesten.
Melk?
Weg ermee.
Melk?
Zwart.
Wat wil je vanmiddag eten, vraagt de vrouw. Er is witloof en er zijn spruitjes. Wat wil je eten?
Spruitjes met braadworst, zegt de man.
Ik bak vandaag een cake, zegt de vrouw. Het is nog vroeg, en de vensters heb ik vorige week gewassen.
Ik ga vandaag die kast afschuren, zegt de man. Die kast die ik van de zolder heb gehaald. Die ga ik vandaag afschuren.
Zal ik eitjes voor je koken, vraagt de vrouw.
Ik heb geen honger, zegt de man. Het is nog te vroeg.
De vrouw schenkt koffie voor hen beiden in. Ze gaan tegenover elkaar zitten. De vrouw doorbladert de reclamefolder, de man kijkt uit het raam. Neerknallen die katten, zegt hij. Weg ermee. Hij drinkt zijn kop in een teug leeg en wandelt naar buiten. De vrouw slaat een blad om en staart weer voor zich uit. Ze staat op en ruimt de tafel af. Ze wast de twee koppen af en zet bloem, eieren, boter, suiker en chocolade klaar. Hij heeft gelijk, zegt ze. Hij heeft nooit gelijk, maar deze keer heeft hij gelijk, zegt ze. Hij zou zijn jachtgeweer moeten bovenhalen. Hij heeft gelijk. Die verdomde rotkatten. Ze mixt het beslag. Het beslag is een beetje lopend. Ze giet een deel van het beslag in de bakvorm, raspt er grove stukken chocolade op, en giet daar de rest van het beslag over. Ze neuriet zachtjes. Ze wast haar handen en doet de radio aan. Het is negen uur, hier volgt het nieuws, zegt de mannenstem in de radio. Thomas is al zo lang buiten, denkt de vrouw. Om halfnegen ontbijt hij altijd. Zijn maag kent het uur beter dan hijzelf, denkt ze. Je kan de klok gelijkzetten met zijn maag, denkt ze. De vrouw doet haar slippers uit en trekt haar schoenen aan. Haar man is niet in de tuin. Ook in het tuinhuisje is hij niet. Ze kijkt over de haag, bij de buren en ziet hem roerloos op de grond liggen. Haar hart begint sneller te slaan. Ze trilt op haar benen. Aan het hoofd van haar man lopen de twee grote, dikke katers heen en weer. De vrouw spert haar mond open en wil schreeuwen. Dan staat haar man op. Hij ziet zijn vrouw. Die katten zijn best wel lief, zegt hij. Lieve beesten zijn het. Hoe laat is het, zegt hij. Ik heb honger.
De vrouw ademt weer regelmatig. Ze wil haar man toeschreeuwen. Dat ze ongerust was. Dat ze die rotkatten haat. Dat ze dacht dat er iets ergs gebeurd was toen ze hem daar zag liggen. Dat het de eerste keer sinds jaren is dat hij om halfnegen niet aan de ontbijttafel was. De vrouw zegt niets. Ze wacht haar man op en samen lopen ze naar de keuken.
De vrouw kookt eieren, roostert brood en zet verse koffie. Ze eten zwijgend. De vrouw kijkt naar haar man terwijl ze eet. Ze kijkt hoe hij een sneetje toast bebotert en in reepjes snijdt. Hoe hij de reepjes een voor een in het zachtgekookte ei sopt en ze dan in zijn mond steekt. Hoe hij van zijn koffie drinkt. Hoe hij zijn mond afveegt als hij klaar is. De man staat op. Ik ga aan die kast beginnen, zegt hij, en gaat naar het tuinhuisje.
Spruitjes met braadworst om halfeen, roept de vrouw hem na.
Om twintig over twaalf is de man terug in de keuken. Het ruikt hier lekker, zegt hij. Je weet, ik hou van spruitjes met braadworst, zegt hij. Daar ben ik gek op, dat weet je toch. Op spruitjes met braadworst.
En een dikke plak cake erna, zegt de vrouw.
Lekker, zegt de man.
Ze eten in stilte. De vrouw en de man kauwen beiden lang op elke hap. Bijna synchroon. Net een stel mechanische poppetjes dat tegelijkertijd afloopt. Lekker, die spruitjes en die braadworst, is het enige wat de man zegt. Hij herhaalt het een paar maal. Lekker, die spruitjes en die braadworst. Lekker.
Ze drinken koffie en eten cake. Lekker, die cake, zegt de man en neemt nog een plak.
Hoe schiet het op met de kast, vraagt de vrouw.
Ziet er goed uit, zegt de man.
Nog veel werk?
Vandaag het schuurwerk, de rest later.
Waar gaan we ze zetten, vraagt de vrouw.
Dat zien we dan wel, zegt de man. Misschien hier of misschien hiernaast. Dat zien we dan wel.
Annelies heeft daareven gebeld, zegt de vrouw.
Komt ze langs in de week, vraagt de man.
Misschien, zegt de vrouw. Ze wist het nog niet. Misschien, zei ze.
Je hebt toch gezegd dat ze mijn haar moet komen knippen, zegt de man.
Dat weet ze zo, zegt de vrouw. Dat moet ik niet iedere keer zeggen. De eerste week van de maand knipt ze je haar. Dat moet ik niet zeggen. Maar ze wist niet of ze kon langskomen, deze week, zei ze. Ze had het druk. Ze zou wel zien, zei ze. Misschien kwam ze langs, zei ze. Misschien, zei ze.
De man likt aan zijn wijsvinger en dept met de vochtige vinger de kruimels van zijn bord. Hij drinkt zijn kop koffie leeg en staat op. Ik ga doordoen aan die kast, zegt hij.
Na de afwas ga ik naar Myriam, zegt de vrouw. We gaan samen naar Lilian. Lilian haar zwager is vorige week begraven. We gaan Lilian condoleren. Als ik om vier uur niet terugben, zet je je maar een kop koffie en neem je maar wat cake. Ik zal proberen om vier uur terug te zijn. Ik denk wel dat ik terugben. Ik zal proberen.
Om vijf uur is de vrouw nog niet terug. De man zit aan de keukentafel en kijkt door het raam. Hij houdt een kop koffie in de hand maar drinkt er niet van. Hij ademt bijna onmerkbaar. Net een bevroren videobeeld. Hij ziet zijn vrouw het tuinhek binnenkomen en springt op. Hij loopt naar de deur. Waar was je, ik was ongerust, waar bleef je zo lang, ik was bang dat er iets gebeurd was, wil hij zeggen. Ik heb koffie gedronken. En cake gegeten, zegt hij. Lekker, die cake, zegt hij. Lekker.
De vrouw gaat aan de keukentafel zitten. Ik wil geen koffie, zegt ze. Ik heb drie koppen bij Lilian gedronken, zegt ze.
Dat wordt een mooie kast, zegt de man. Dat wordt een heel mooie kast. Ik denk dat we ze het best in de living zetten, zegt hij.
Vanavond kook ik havermout, zegt de vrouw.
Ze staat het best in de living, denk ik, zegt de man. Ik ga er nog even aan doordoen, zegt hij. Nog even, en dan stop ik ermee voor vandaag.
Heb je nog niet genoeg gedaan voor vandaag, vraagt de vrouw.
Ik heb niet veel gedaan, zegt de man. Ik ben met die katten van hiernaast bezig geweest, zegt hij.
Die rotkatten, zegt de vrouw.
Ik mag ze wel, zegt de man.
Die rotkatten.
Ze zijn best lief.
Havermout vanavond is dus goed, zegt de vrouw.
Ze zijn echt lief.
Havermout is dus goed?
Lekker, zegt de man, en gaat terug naar het tuinhuisje.
Binnen een uurtje havermout, roept de vrouw hem na.
Ze zeggen niets tijdens het avondmaal. De vrouw eet amper, de man neemt twee keer havermout bij.
De vrouw ruimt de tafel af. Is er iets op teevee vanavond, vraagt ze.
De soundmixshow en dan dat praatprogramma met je weet wel, die blonde, zegt de man.
O nee, zegt de vrouw, toch niet dat praatprogramma met die blonde.
Er is niks anders op, zegt de man.
Ik denk dat ik vroeg ga slapen, zegt de vrouw. Gelukkig slaap ik met die slaappillen vlug in, zegt ze. Gelukkig kan ik goed slapen, sinds ik die slaappillen neem. ’t Is dat ik altijd zo vroeg wakker word van die katten. Die rotkatten.
De Soundmixshow kijk je toch mee, zegt de man.
’t Is dat ik zo vroeg wakker word van die rotkatten, zegt de vrouw.
De Soundmixshow kijk je toch mee, zegt de man.
Die rotkatten, zegt de vrouw.
Je kijkt toch mee, zegt de man.
Rotkatten, zegt de vrouw.