MANGOD  
 

Kop koffie
 

De man en de vrouw zitten in de cafetaria van een school. Een groepje jongens zit aan een tafel verderop. Een groepje ouderen zit aan nog een andere tafel.
Het is nu al zes maanden dat ik Arabisch volg, zegt de man tegen de vrouw. Het is nu al zes maanden dat ik deze cursus volg.
Ik nog maar twee maanden, zegt de vrouw. Je weet, ik ben later begonnen. Ik volg nog maar twee maanden Arabisch hier. De eerste module heb ik overgeslagen.
Zes maanden al, zegt de man.
Ik nog maar twee maanden, zegt de vrouw. Maar ik volg ook al enkele jaren in een andere school Arabisch. Dat weet je ook. Dat heb ik je al verteld.
Zes maanden, zegt de man. Zes maanden. En denk je dat ik al een kop koffie kan bestellen in het Arabisch? Gewoon een kop koffie bestellen in het Arabisch, denk je dat ik dat al kan?
Ik volg al enkele jaren Arabisch ergens anders, zegt de vrouw. Dat heb ik al verteld.
Denk je dat ik al een kop koffie kan bestellen, zegt de man. Vergeet het maar.
Een kop koffie bestellen? Dat is toch niet moeilijk, zegt de vrouw.
Vergeet het maar, zegt de man. Zes maanden offer ik al elke week een hele avond op. Zes maanden al offer ik elke week de woensdagavond op. En ik kan nog niks. Ik leer het nooit. Ik zal dat Arabisch nooit onder de knie krijgen.
Dat is toch niet moeilijk, een kop koffie bestellen, zegt de vrouw.
Zes maanden, zegt de man. Elke woensdagavond. Jagen, jagen, jagen. Van het werk naar huis. En dan naar hier. Jagen, jagen, jagen.
Dat is toch niet zo moeilijk. Een kop koffie bestellen, zegt de vrouw.
Niet moeilijk, niet moeilijk, zegt de man. Ik kan het toch niet.
Finjen qahwa, min fadlik, zegt de vrouw. Een kop koffie, alsjeblieft. Daar is toch niets moeilijks aan.
Zes maanden offer ik al elke week de woensdagavond op, zegt de man. Ik heb geen tijd om rustig te eten, na mijn werk. Ik moet me als de bliksem haasten, na mijn werk. Jagen, jagen, jagen. Iedere woensdag. En dat al zes maanden.
Finjen qahwa, min fadlik, zegt de vrouw nog eens.
En ik kan nog niets, zegt de man. Nog geen kop koffie kan ik bestellen.
Dat komt wel, zegt de vrouw. Je moet eerst die klanken gewoon worden, de rest komt dan wel vanzelf.
Vanzelf, vanzelf, zegt de man.
Als je die klanken gewoon bent, volgt de rest vanzelf, zegt de vrouw.
Vanzelf, zegt de man. Dat kan ik me niet voorstellen.
Je zal zien, zegt de vrouw. Je zal zien.
Hoelang volg jij al avondles in die andere school, vraagt de man.
Al enkele jaren, zegt de vrouw.
Hoelang al precies, vraagt de man.
Al zes jaar, zegt de vrouw.
Zes jaar, zegt de man.
Zes jaar, zegt de vrouw. Maar...
Maar wat, zegt de man.
Maar ik zit nog maar in het derde jaar, zegt de vrouw. Elementaire kennis.
In het derde jaar elementaire kennis, zegt de man.
Het derde jaar elementaire kennis, zegt de vrouw. Ik heb elk jaar gebist.
Elk jaar gebist, zegt de man. En waarom, vraagt hij.
Om de leerstof beter te kunnen verwerken, zegt de vrouw. Mijn geheugen is niet meer wat het geweest is, spijtig genoeg.
Daar heb ik geen last van, zegt de man. Van een slecht geheugen. Maar die cursus hier is niet echt een praktische cursus, vind ik. Is het niet schandalig? Na al die maanden nog geen kop koffie kunnen bestellen? Is dat niet schandalig? Na zes maanden avondles. Schandalig, toch? Dat is toch niet echt een praktische cursus.
Alles op zijn tijd, zegt de vrouw.
Dat is toch niet echt een praktische cursus, zegt de man. Toch niet echt op de praktijk afgestemd.
Alles op zijn tijd, zegt de vrouw.
Na hoeveel tijd kon jíj een kop koffie bestellen, vraagt de man.
Dat weet ik niet, zegt de vrouw. Ik heb trouwens nooit de kans gehad om in het Arabisch een kop koffie te bestellen.
Hoe bedoel je, zegt de man.
Ik ben nog nooit in het Oosten geweest, zegt de vrouw.
Nog nooit, zegt de man.
Nog nooit, zegt de vrouw.
En je spreekt zo goed Arabisch, zegt de man.
Toch maar povertjes, na zes jaar avondles, zegt de vrouw.
Ik ben al dikwijls ginder geweest, zegt de man. Tunesië, Algerije, Egypte, Syrië, Marokko, Dubai.
Dubai, zegt de vrouw.
Dubai, Tunesië, Egypte, Syrië, Marokko, Algerije, noem maar op. Ik heb daar overal gezeten. Ik ben daar overal al geweest.
Dubai, zegt de vrouw.
Ja, ook Dubai, zegt de man. Ik ben daar overal geweest. Overal.
En je kunt geen kop koffie bestellen in het Arabisch, zegt de vrouw.
Och, eens dat ik daar ben, is dat geen probleem meer, zegt de man. Daar gaat dat vanzelf. Daar is dat geen probleem meer.
Dus spreek je toch Arabisch, zegt de vrouw.
Dat is geen kwestie van Arabisch spreken, zegt de man. Neen, je moet die mensen daar kennen. Je moet ze kennen. Die mensen daar zijn als katten. Echte katten zijn het. Katten. Kijk zo'n Arabier poeslief aan en hij geeft je alles wat je maar hebben wilt.
Maar je moet toch zeggen dat je koffie wilt, als je koffie wilt, zegt de vrouw.
Hoe ik een koffie moet bestellen, dat weet ik ongeveer, zegt de man. Qahwa. Maar als ik extra suiker of wat extra melk wil, of een kleine kop of een grote kop wil, dan sta ik daar met mijn mond vol tanden.
Alles op zijn tijd, zegt de vrouw. Alles op zijn tijd.
Zes maanden. Dat is toch al lang, zegt de man. Zes maanden. Zes maanden dat ik elke woensdagavond geen tijd heb om 's avonds rustig te eten. Zes maanden dat ik elke woensdag moet jagen. Jagen, jagen, jagen. Van mijn werk naar huis. Gauw, gauw een boterham eten. En dan naar hier. Jagen, jagen, jagen.
Je kunt toch rustig eten als je thuiskomt, zegt de vrouw.
Ik ga om tien uur 's avonds niet meer warm eten, zegt de man.
Tja, zegt de vrouw.
Tja, zegt de man.
Je bent dus ook al in Dubai geweest, zei je, zegt de vrouw.
Ook in Dubai, ja, zegt de man.
Is Dubai niet duur, vraagt de vrouw.
Dubai is heel duur, zegt de man.
En heel modern, zeker, zegt de vrouw.
Niet armzalig, als je dat bedoelt, zegt de man. Maar niet zo modern van opvatting als Tunesië bijvoorbeeld. Tunesië, Tunesië, dat is het aards paradijs.
Het aards paradijs, zegt de vrouw.
Het aards paradijs, zegt de man.
Hoezo, zegt de vrouw.
Dat is daar het aards paradijs. Die mensen daar zijn heel los van opvatting. Daar had ik in elke stad een vriendje zitten.
Zijn die mensen daar zo los, zegt de vrouw.
Och Tunesië, zegt de man. Je moet die mensen daar kennen. Je moet die mannen daar kennen. Kijk die mannen daar poeslief in hun ogen en ze doen alles voor jou. Ze doen alles wat je maar wilt. Alles. Alles. Maar dan ook alles. Katten zijn het. Katten. Kijk ze poeslief in de ogen en je krijgt alles van hen gedaan. Net katten.
Dat wist ik niet, zegt de vrouw.
Och meisje toch, zegt de man. Je moest het eens weten. Je moest het eens allemaal weten.
Dat wist ik niet, dat het daar zo los aan toeging, zegt de vrouw.
In elke stad van Tunesië had ik een vriendje zitten, zegt de man.
In elke stad, zegt de vrouw.
In elke stad, zegt de man. In elke stad.
Ik wist niet dat die mensen daar zo los waren, zegt de vrouw.
Los, los, dat is nog zacht uitgedrukt, zegt de man.
Dat wist ik echt niet, zegt de vrouw.
Ah, die mannen daar, zegt de man. Die mannen daar. Oh, als ik aan Ahmed denk. Oh, en als ik aan Yussuf denk. Oh, en Rachid. En Ali. Ali. Oh, twee Ali's ken ik daar. Twee Ali's. Ah, die mannen daar. Die mannen.
Die mannen hebben je af en toe toch wel een kopje koffie aangeboden, zegt de vrouw. Ze glimlacht.
Och meisje, koffie, zegt de man. Koffie. Qahwa. Qahwa. Koffie bij liters heb ik daar gedronken. Hoe zei jij dat, een kop koffie, alsjeblieft?
Finjen qahwa, min fadlik, zegt de vrouw.
Vinchen qahwa, men vatlik, zegt de man.
Ja, zo ongeveer, zegt de vrouw.
Nu je het zegt, dat komt me bekend voor, zegt de man. Dat komt me heel bekend voor. Zeg dat nog eens.
Finjen qahwa, min fadlik, zegt de vrouw.
Finchen qahwa, men vatlik, zegt de man. Hij zucht. Ik zal het nooit leren, zegt hij. Ik zal het nooit leren. Ik krijg dat Arabisch nooit onder de knie.
Je moet gewoon geduld hebben, zegt de vrouw. Geduld en de rest komt vanzelf.
Vanzelf. Vanzelf. Arabisch dat vanzelf komt, zegt de man. Dat kan ik me niet voorstellen. Dat kan ik me echt niet voorstellen.
Je bent goed op weg om het te leren, zegt de vrouw.
Ik krijg dat nooit onder de knie, zegt de man. Ik krijg dat nooit onder de knie.
Een jong meisje komt voorbij de tafel waar de man en de vrouw zitten. Ze heeft een plastieken bekertje koffie in haar hand.
Mag ik er even bij komen zitten, zegt het meisje.
Natuurlijk, zegt de vrouw.
Zet je er maar gerust bij, zegt de man.
Dat kan toch smaken, zo'n koffie, zegt het meisje. Ze nipt van haar koffie. Mmm, lekker, zegt ze.
Ja, dat kan smaken, zegt de man. Dat kan heel goed smaken, een kop koffie. Hij wijst naar het bekertje van het meisje. Maar niet die koffie uit de automaat hier, zegt hij.
Och, die is ook lekker, zegt het meisje. Ze nipt nog eens van haar koffie. Dat kan echt smaken, zo'n koffie, zegt ze.
En wat volg jij hier, vraagt de vrouw aan het meisje.
Chinees, zegt het meisje.
Chinees, zegt de vrouw.
Ja, Chinees, zegt het meisje.
Chinees, zegt de man.
Chinees, zegt het meisje. Ze drinkt van haar koffie.
Is dat niet moeilijk, vraagt de man.
Nogal, zegt het meisje.
Dat moet toch heel moeilijk zijn, zegt de man.
Nogal, zegt het meisje.
Hoelang volg je al Chinees, vraagt de vrouw.
Dit is mijn eerste jaar, zegt het meisje. Ze drinkt van haar koffie.
En gaat het zo'n beetje, vraagt de vrouw.
Dat begint langzaam aan te gaan, zegt het meisje.
Dat moet toch ontzettend moeilijk zijn, zegt de man.
Nogal, zegt het meisje.
Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit Chinees zou studeren, zegt de man.
Ik zou er niet voor terugschrikken om daaraan te beginnen, zegt de vrouw.
Ik begin er nooit aan, zegt de man. Chinees? Dat nooit.
Ik zou het als een uitdaging zien, zegt de vrouw.
Ik durf er niet aan te denken, zegt de man. Chinees.
Als je genoeg studeert, is dat wel te doen, zegt het meisje.
Kun jij al een kop koffie bestellen in het Chinees, vraagt de man.
Als je regelmatig studeert, is elke taal te doen, denk ik, zegt het meisje.
Kun je al in het Chinees een kop koffie bestellen, vraagt de man.
Met wat opzoekwerk zou me dat wel moeten lukken, zegt het meisje. Ze drinkt haar kop koffie uit.
Dan sta je verder dan ik, zegt de man.
Wat volgen jullie hier, vraagt het meisje.
Arabisch, zegt de vrouw.
Arabisch, zegt ook de man.
Dat moet nochtans ook niet gemakkelijk zijn, zegt het meisje.
Héél moeilijk, zegt de man. Héél moeilijk.
Dat valt al met al nog mee, zegt de vrouw.
Dat is héél moeilijk, zegt de man. Ik kom nu al zes maanden elke woensdagavond naar hier, en ik kan nog niks. Ik kan nog geen kop koffie bestellen. Is dat niet schandalig? Zou het aan mij liggen of volg ik de verkeerde cursus?
Het is geen gemakkelijke taal, zegt het meisje. Je hebt het net zelf gezegd.
Het is een héél moeilijke taal, zegt de man.
Dat valt al met al goed mee, zegt de vrouw.
Een héél moeilijke taal, zegt de man. Maar die cursus is niet echt praktisch. Die is niet echt op de praktijk afgestemd, vind ik. Ik kan nog geen kop koffie bestellen. En dat na zes maanden. Zes maanden. Is dat niet schandalig? Schandalig is dat toch, niet?
Je moet regelmatig studeren, zegt het meisje. Je moet elke dag studeren, en dan zul je zien dat het na een tijdje wel gaat.
Studeren, zegt de man. Studeren? Ik wil alleen maar een kop koffie kunnen bestellen en wat babbelen met die mensen daar.
Dan moet je veel studeren, zegt het meisje.
Studeren, zegt de man.
Een bel rinkelt.
Ik wil alleen maar een kop koffie kunnen bestellen en wat kunnen babbelen met die mensen daar, zegt de man.
Regelmatig studeren helpt, zegt het meisje.
Dat was de bel, zegt de vrouw. De pauze is voorbij.
Ja, dat was de bel, zegt de man. De pauze is voorbij.
Ons kwartiertje is om, zegt het meisje.
Zullen we eens opstappen, zegt de vrouw.
We zullen wel moeten, zegt de man.
Ik ben ervandoor, zegt het meisje. Ze staat op. Tot ziens, zegt ze.
Tot ziens, zegt de vrouw.
Tot ziens, zegt de man.
En succes met het Chinees, zegt de vrouw.
Ja, succes ermee, zegt de man.
Jullie ook succes met het Arabisch, zegt het meisje.
De cafetaria loopt leeg.
Chinees, zegt de man. Chinees. Ik durf er niet aan te denken.
Zullen we ook eens opstappen, zegt de vrouw tegen de man.
Chinees, zegt de man.
Stappen we ook eens op, zegt de vrouw.
We zullen wel moeten, zegt de man. We zullen wel moeten. Of ik leer het nooit. Of ik leer dat nooit, dat Arabisch.
Vooruit dan maar, zegt de vrouw. Ze staat op.
Hoe was dat weer, een kop koffie, alsjeblieft, vraagt de man. Hij staat ook op.
Finjen qahwa, min fadlik, zegt de vrouw.
Vinchin qahwa, men vatik, zegt de man.
Zo ongeveer, zegt de vrouw. Finjen qahwa, min fadlik, zegt ze nog eens.
Finchen qahwa, min vatlik, zegt de man.
Zoiets ongeveer, zegt de vrouw.
Ik zal het nooit leren, zegt de man. Ik zal het nooit leren. Hij zucht. Ik krijg dat Arabisch nooit onder de knie, zegt hij.
Geduld, zegt de vrouw. Geduld.
Ik zal het nooit leren, zegt de man. Dat gaat me nooit lukken. Nooit.
Geduld, zegt de vrouw.
De man en de vrouw verlaten als laatsten de cafetaria.
Vinchan qahwa, men vatlik, zegt de man nog in de deuropening. Vinchan qahwa, men viltak.
Even is het muisstil in de cafetaria. Dan slaat de koffieautomaat even aan. En dan is het weer muisstil.