MANGOD  
 

Telefoon
 
De telefoon rinkelt. De vrouw kijkt van haar boek op. Ze wacht even, legt het boek op de leuning van de zetel en gaat naar de telefoon.
Met Frieda, zegt ze.
Hallo, zegt de mannenstem aan de andere kant van de lijn. Hallo, met mij, zegt de mannenstem.
Jij weer, zegt de vrouw. Jij weer. Ik wil niet dat je belt. Ik wil niet dat je nog belt, zegt ze. Waarom bel je mij? Waarom mij?
Ik heb je gezien gisteren, zegt de mannenstem. Ik heb je gezien. Je was op de markt. Met een andere vrouw.
Waarom volg je mij, zegt de vrouw. Waarom volg je mij? Wie ben jij?
Ik heb je gezien, zegt de mannenstem, ik heb je gezien. De man hangt op. De vrouw legt de hoorn niet neer. Ze blijft onbeweeglijk staan. Dan hangt ze ook op. Ze gaat terug in de zetel zitten en neemt het boek van de leuning. Ze staart er even in en klapt het dicht. Ze gaat naar de telefoon en neemt de hoorn op. Ze blijft met de hoorn in haar hand aan de telefoon staan. Ze hangt terug op. Ze gaat naar de badkamer en verft haar lippen. Ze trekt haar jas aan, steekt het boek in haar handtas en verlaat haar appartement.
Aan de telefooncel aan de overkant van de straat ziet ze een man staan. Zou hij het zijn, vraagt de vrouw zich af. Misschien is hij het wel, denkt ze. Ze ziet de tram aankomen. Als de tram nu voor het rood licht moet stoppen, haal ik hem nog, denkt de vrouw. De tram stopt voor het rood licht. De vrouw versnelt haar pas. Ze komt tegelijkertijd met de tram aan de halte aan.
Op de tram ziet ze hoe een oudere man haar in de gaten houdt. Zou hij het zijn, vraagt de vrouw zich af. Zou hij het zijn? Misschien is hij het wel, denkt ze. Ze gaat helemaal achteraan de tram staan. De man volgt haar niet. Enkele haltes verder stapt ze uit. Ze let er op of de man ook uitstapt. De man stapt niet uit.
De vrouw loopt een boekenwinkel binnen. Dag Frieda, zegt de verkoopster. Alles goed met jou, vraagt ze.
Het ging wel, Lilla, zegt de vrouw. Het ging goed. Totdat hij belde, zegt ze.
Heeft hij weer gebeld, vraagt de boekenverkoopster. Heeft hij weer gebeld, vraagt ze.
Hij heeft me op de markt gezien, zegt de vrouw. Gisteren. Hij heeft me gezien, samen met Hilde. Hij wist dat Hilde bij me was.
Als ik jou was, zou ik iedere keer het precieze uur dat hij belt opschrijven, zegt de boekenverkoopster. Dat zou ik doen. De telefoonmaatschappij kan dan zijn identiteit uitzoeken. Dat heb ik begin deze week in de krant gelezen. Je moet wel iedere keer dat hij belt het exacte uur noteren.
Hij klinkt wel vriendelijk als hij belt, zegt de vrouw. Hij heeft wel een vriendelijke stem. Een heel vriendelijke stem, zegt ze.
Een vriendelijke stem, zegt de boekenverkoopster. Een wildvreemde man die je belt om te zeggen dat hij je gezien heeft. Dat hij je volgt. Vriendelijke stem of geen vriendelijke stem, eng is dat. Heel eng is dat, zegt ze.
Ik ben weg, zegt de vrouw. Ik ga nog eens langs mijn moeder.
Als hij nog belt, noteer dan het uur, zegt de boekenverkoopster. Niet vergeten, het precieze uur noteren, roept ze de vrouw na.
Als de vrouw uit de boekenwinkel komt, ziet ze een man aan de overkant staan. De man kijkt even recht in de vrouw haar ogen en loopt verder. Zou hij het zijn, denkt de vrouw. Misschien is hij het wel, denkt ze. Ze blijft de man nakijken. De man kijkt niet om.
De vrouw gaat naar de bushalte. Ze moet niet lang wachten op de bus. Ze gaat helemaal vooraan zitten. De chauffeur sluit de deuren en wil vertrekken. Een man komt aangelopen. Hij klopt op de gesloten deur. Dank u wel, zegt de man tegen de chauffeur als hij binnenstapt. De vrouw haar hart begint sneller te slaan. Het is dezelfde man als die die tegenover de boekenwinkel stond.
Hij is het, denkt de vrouw. Hij is het, denkt ze.
De bus verlaat de stad. De man zit vlak achter de vrouw. Er zit alleen nog een jong koppel op de bus.
Waarom komt hij achter me zitten, denkt de vrouw. Waarom vlak achter mij, denkt ze. Er is toch plaats zat in de bus. Ze ademt gejaagd.
Een telefoon rinkelt. Het is de gsm van de man achter haar. Hallo, zegt hij. Ja, zegt hij. Ik ben onderweg. Binnen een half uurtje, zegt hij en hangt op.
Het is dezelfde stem niet, denkt de vrouw. Neen, het is dezelfde stem niet, denkt ze. Het is een heel andere stem. Ze ademt weer rustig. Ze neemt het boek uit haar tas en begint te lezen.
Onderweg stapt een groepje jongelui op. De vrouw klapt het boek dicht en staart uit het raam. Ze belt vlak voor de halte. De man achter haar stapt niet uit. Neen, hij was het niet, denkt de vrouw. Zijn stem was anders. Helemaal anders. Helemaal niet vriendelijk.
Het huis van haar moeder ligt vlakbij de bushalte. De moeder hangt net de was op. Je broer is weer naar Afrika, zegt ze. Hij is weer naar Afrika. En hij heeft nooit geld. Afrika. Ik vraag me af hoe hij het klaarspeelt, zegt ze. Ik zou willen weten hoe hij het klaarspeelt. Afrika. Nog even deze zakdoeken ophangen en we gaan naar binnen, zegt ze. Deze zakdoeken nog en dan zet ik koffie.
De moeder zet koffie. Ja, die broer van jou, zegt ze. Weeral naar Afrika. Hoe doet hij het toch, zegt ze. Dat kost toch een pak geld. Afrika.
Hij kent daar mensen, zegt de vrouw. Het verblijf daar kost hem niets, zegt ze. Hij kent daar mensen.
Maar de reis moet hij toch betalen, zegt de moeder. De reis is toch niet gratis, zegt ze. En Afrika ligt toch niet bij de deur. En hij heeft geen geld. Hij heeft nooit geld. Ik zou willen weten hoe hij het klaarspeelt.
Wat heb ik daarmee te maken, denkt de vrouw. Dat zijn mijn zaken toch niet. Wat heb ik daarmee te maken, denkt ze. Ze zegt niets en drinkt van haar koffie.
Wil je een stuk cake, vraagt de moeder. Vanmorgen gebakken, zegt ze.
Mama, er is een man die me achtervolgt, zegt de vrouw. Hij belt me bijna elke dag op. Hij weet iedere keer waar ik geweest ben, zegt ze. Hij belt me bijna elke dag op.
Wil je een stuk cake, vraagt de moeder weer. Vanmorgen gebakken, zegt ze.
Neen, zegt de vrouw, ik heb laat gegeten.
Wat was dat van die man, vraagt de moeder.
Och, niets, zegt de vrouw.
Die broer van jou, zegt de moeder. Ik vraag me echt af hoe hij het klaarspeelt. Afrika. Die reis zal niet niets kosten. En daar moet hij toch eten ook. En hij heeft nooit geld. Nooit geld heeft hij, zegt ze.
De vrouw zegt niets. Ze drinkt haar kop koffie uit.
Wil je nog koffie, vraagt de moeder.
Ik moet er alweer vandoor, zegt de vrouw.
Je bent toch maar net hier, zegt de moeder.
De bus, zegt de vrouw. Als ik de eerstvolgende bus niet neem, dan moet ik twee uur wachten op de volgende. En ik moet nog een paar dringende boodschappen doen.
Dringende boodschappen, zegt de moeder. Dringende boodschappen. Voor mij heeft nooit iemand tijd, zegt ze. Je broer weer naar Afrika, en jij zit maar altijd in de stad.
De vrouw zegt niets.
Je broer weer naar Afrika en jij altijd in de stad, zegt de moeder.
Ik woon toch ook in de stad, zegt de vrouw.
Vroeger bleef je af en toe slapen, zegt de moeder.
Dat is lang geleden, zegt de vrouw.
Je bleef toch slapen, zegt de moeder.
Toen had ik mijn draai nog niet gevonden in de stad, zegt de vrouw.
Wil je echt geen koffie meer, vraagt de moeder.
Ik ben ervandoor, zegt de vrouw.
Als je broer belt, zeg dan dat hij me ook belt, zegt de moeder. Je zal zien, jou zal hij weer bellen. Geld om jou te bellen heeft hij. Om mij te bellen natuurlijk niet. Je zal zien. Afrika. Ik zou willen weten hoe hij het klaarspeelt, zegt ze. Afrika.
De vrouw kust haar moeder op de wang. Dag mama, zegt ze. Tot de volgende keer.
Hopelijk blijf je dan wat langer, zegt de moeder. En hopelijk duurt het zo lang niet voordat je weer eens langskomt. En hopelijk blijf je dan wat langer.
Volgende keer blijf ik langer. ‘t Is dat ik nog een paar dringende boodschappen moet doen, zegt de vrouw.
Ja, ja, dringende boodschappen, zegt de moeder. Dringende boodschappen. Ze loopt mee naar buiten.
Dag mama, zegt de vrouw aan de buitendeur.
En vergeet niet tegen je broer te zeggen dat hij moet bellen, zegt de moeder. Niet vergeten. Dat hij moet bellen. Als hij belt, roept ze haar dochter na.
De vrouw loopt naar de bushalte. Ze kijkt op haar horloge. Ik ben veel te vroeg, zegt ze zachtjes. Ik loop tot aan de volgende bushalte, zegt ze.
Aan de volgende halte moet ze nog tien minuten wachten. De bus is leeg. De vrouw haalt het boek uit haar tas en begint te lezen. Onderweg stapt er buiten twee tieners niemand op. Vlak voor het centrum van de stad klapt de vrouw het boek dicht. In het centrum stapt ze uit. Ze loopt bij de bakker binnen.
Heeft hij nog gebeld, vraagt de bakkersvrouw.
Ja, eergisteren nog en vanmiddag ook nog, zegt de vrouw.
Ben je er zeker van dat hij het was, vraagt de bakkersvrouw.
Hij was het, zegt de vrouw. Dezelfde stem. Dezelfde vriendelijke stem, zegt ze. Een heel vriendelijke stem. Heel vriendelijk.
Misschien moet je eens informeren of je achter zijn nummer kunt komen, zegt de bakkersvrouw. Dan kun je ermee naar de politie gaan. Ik zou eens informeren of je achter zijn nummer kunt komen.
Lilla zei dat dat mogelijk was, zegt de vrouw. Ze zei dat ik het precieze uur moest noteren. Als hij belt. Dat ze dan kunnen uitzoeken wie het is.
De vrouw koopt een wit brood. Tot in de week, zegt ze als ze de zaak verlaat.
Doe maar wat Lilla heeft gezegd, zegt de bakkersvrouw. Ik zou het doen, als ik jou was.
Tot in de week, zegt de vrouw.
Doe maar wat Lilla heeft gezegd, zegt de bakkersvrouw.
De vrouw gaat naar huis. Thuis luistert ze naar het antwoordapparaat. Er staat maar één boodschap op. Ik ga je volgen vandaag, zegt de mannenstem. Ik ga je volgen en bel je straks weer op.
De vrouw neemt de hoorn van de telefoon op. Ze houdt hem even in haar hand en hangt terug op. Dan rinkelt de telefoon. Met mij, zegt de mannenstem. Ik heb je gevolgd vandaag. Je bent naar de boekenwinkel geweest. En je bent de stad uitgeweest. En je bent naar de bakker geweest.
Ik wil niet dat je nog belt, zegt de vrouw. Wie ben je? Waarom ik, zegt ze. Wie ben je? Waarom ik?
Ik heb je gevolgd vandaag, zegt de mannenstem, ik heb je gevolgd. De man hangt op. De vrouw blijft even met de hoorn in haar hand aan de telefoon staan. Ze kijkt op de klok. Ze hangt op en gaat naar haar bureau. Ze neemt haar agenda uit een lade. Vrijdag de veertiende, zegt ze zachtjes en slaat haar agenda open. Dertien over zes, schrijft ze in haar agenda. Telefoon van hem, schrijft ze. Ze staart even voor zich uit. De man met de vriendelijke stem, schrijft ze. Ze legt de pen neer en staart voor zich uit. De man met de vriendelijke stem, zegt ze zachtjes.