MANGOD  
 

Vakantie, voetbal en schoenen
 
De vrouw en de man lopen door de stad. Ze zijn beiden vooraan in de dertig. De vrouw heeft een plastic zak in elke hand. De man draagt een aktetas.
Ik ben blij dat ik je nog eens ben tegengekomen, zegt de man.
Het doet me ook plezier je nog eens te zien, zegt de vrouw.
Ben je klaar met je inkopen, vraagt de man.
Zo goed als, zegt de vrouw. Als ik ergens nog een paar mooie schoenen zie, dan koop ik die nog. Voor de rest heb ik alles. Alleen als ik nog een paar mooie schoenen zie, dan koop ik die. Alleen schoenen nog.
Schoenen, zegt de man. Schoenen. Zwijg over schoenen. Mijn vrouw koopt elke maand een paar schoenen.
Elke maand, zegt de vrouw.
Nu ja, bij wijze van spreken, zegt de man. Toch om de twee maanden. Om de twee maanden koopt Liesbeth een paar nieuwe schoenen.
Ik elk seizoen, zegt de vrouw. Elk seizoen. En als we op vakantie gaan, dan verwen ik me. De week voordat we vertrekken koop ik altijd nog een paar.
De week voordat je vertrekt, zegt de man.
De week voordat we vertrekken, zegt de vrouw. Als ik dan een paar mooie schoenen zie, dan koop ik die.
En wat zegt je vriend daarvan, vraagt de man. Wat vindt Nico daarvan?
Nico moet dat maar goed vinden, zegt de vrouw. Ik koop die schoenen van mijn eigen geld. Ik doe met mijn eigen geld wat ik wil. Voordat ik op vakantie ga, koop ik altijd een paar schoenen. En in het buitenland koop ik ook nog vaak een paar. Soms twee paar, als ik ze echt mooi vind.
Zijn jullie dit jaar op vakantie geweest, vraagt de man.
Natuurlijk, zegt de vrouw.
Waar naartoe, vraagt de man. Spanje?
Italië, zegt de vrouw.
Italië, zegt de man.
Ja, Italië, zegt de vrouw.
En waarom niet Spanje, zegt de man. Jullie gaan meestal toch naar Spanje.
We hebben onze vakantie laten samenvallen met de wedstrijden van FC Zemmeren, zegt de vrouw.
Sinds wanneer hou jij van voetbal, vraagt de man.
Ik haat voetbal, zegt de vrouw. Ik haat dat echt. Ik was nog nooit naar een voetbalwedstrijd geweest. Ik had geen zin om naar Italië te gaan. Ik had zin om naar Spanje op vakantie te gaan.
En waarom dan Italië, vraagt de man.
Nico wilde dat, zegt de vrouw. FC Zemmeren speelde twee wedstrijden daar.
Speelden die mannen van Zemmeren in Italië, vraagt de man.
Twee wedstrijden, zegt de vrouw. Twee vriendschappelijke wedstrijden tegen één of andere ploeg uit één of ander provinciestadje.
En hoe is die vakantie meegevallen, vraagt de man.
Zijn júllie dit jaar op vakantie geweest, vraagt de vrouw.
Wij hebben dit jaar een nieuwe keuken laten plaatsen, zegt de man. Er was geen geld meer over voor een vakantie. Al het geld was op.
Een nieuwe keuken, zegt de vrouw.
Een nieuwe keuken, zegt de man.
Dat zou mij ook goed van pas komen, zegt de vrouw.
Liesbeth was er al jaren om aan het zeuren, zegt de man.
Daar zou ik heel blij mee zijn, met een nieuwe keuken, zegt de vrouw. Heel blij.
Liesbeth was dolgelukkig, zegt de man.
Maar ik zou er mijn vakantie niet voor laten vallen, zegt de vrouw.
Hoe is Italië meegevallen, vraagt de man.
Vrij goed, zegt de vrouw.
Vrij goed, zegt de man.
Vrij goed, zegt de vrouw.
En ben jij ook naar het voetbal geweest, vraagt de man.
Ik moest wel van Nico, zegt de vrouw. Ik moest mee. Maar hij zal me geen tweede keer meer meenemen, denk ik.
Waarom niet, vraagt de man.
Hij zal me geen tweede keer meenemen, zegt de vrouw.
Waarom niet, vraagt de man.
Wist je dat die Italianen Zemmers verstaan, zegt de vrouw.
Zemmers, zegt de man.
Ja, Zemmers, zegt de vrouw. Het Zemmers dialect, dat verstaan die.
De man kijkt naar de vrouw. Hij zegt niets.
Een jaar of vier geleden waren we ook in Italië, zegt de vrouw. In Rome. De dag voordat we terug naar huis kwamen, gingen we naar de markt. Naar een antiekmarkt. In Rome. In een van die kraampjes stond een heel mooie doos. Met ivoor ingelegd. Een heel mooie doos. Ik zeg tegen Nico, mooie doos, niet Nico? En Nico zegt, mooie doos. Mooie doos, zegt Nico. Een heel mooie doos. Kwestie wa kost da.
Kwestie wa kost da, zegt de man.
Ja, dat zeggen ze bij ons, zegt de vrouw. Kwestie wa kost da. Ik ben benieuwd hoeveel dat moet kosten, wil dat zeggen. Kwestie wa kost da.
En dat is Zemmers, zegt de man. Kwestie wa kost da.
Dat is Zemmers, zegt de vrouw. Nico zegt tegen mij, mooie doos. Een heel mooie doos. Kwestie wa kost da. En die verkoper kijkt naar ons en die begint daar opeens Italiaans te ratelen. Ik verstond er niks van. Het enige wat ik verstond was lire. Ik weet niet hoeveel. Ik verstond alleen maar het woord lire. Die had dat verstaan, die verkoper. Kwestie wa kost da. Dat had die verstaan. Die verstond het Zemmers dialect.
Die had waarschijnlijk verstaan, quanto costa, zegt de man.
Die verstond dat, kwestie wa kost da, zegt de vrouw.
Die had waarschijnlijk quanto costa verstaan, zegt de man.
Ik wist niet dat je Italiaans sprak, zegt de vrouw.
Ik heb vroeger een jaartje avondles Italiaans gevolgd, zegt de man.
Ik wist echt niet dat je Italiaans sprak, zegt de vrouw.
Zijn die voetbalmatchen afgelopen zomer in Italië meegevallen, vraagt de man.
De vrouw zucht. Ik heb maar één wedstrijd gezien, zegt ze. Nooit meer ga ik nog naar een voetbalwedstrijd. Nooit meer.
En waarom niet, vraagt de man.
Nico zal me ook nooit meer mee vragen, zegt de vrouw.
Hoe komt dat, vraagt de man.
Ik heb maar één wedstrijd gezien, zegt de vrouw. Nooit meer zal Nico me mee vragen.
En waarom niet, vraagt de man.
Bij de eerste goal begon ik te schreeuwen als een gek, zegt de vrouw.
Je houdt toch niet van voetbal, zegt de man.
Ik haat voetbal, zegt de vrouw. Ik haat voetbal. Maar ik had me gewoon laten meeslepen. Dat was daar een sfeer van jewelste. Dat was daar een geschreeuw en een gejoel van jewelste. Ik had me gewoon laten meeslepen. Bij de eerste goal begon ik als een gek te schreeuwen.
En dan, zegt de man. Dat is toch de gewoonte bij voetbal.
Bleek dat die Italiaanse ploeg een goal gescoord had, zegt de vrouw.
Ai, zegt de man.
Zeg dat wel, zegt de vrouw. Ai, dat kun je wel zeggen.
En toen, zegt de man.
En toen, zegt de vrouw. En toen? Ik werd daar toen bijna levend gevild door de supporters van Zemmeren.
Een normale reactie, zegt de man. Bij het voetbal toch.
Ik kon er niks aan doen, zegt de vrouw. Ik wist niet welke ploeg Italië en welke ploeg Zemmeren was. Ik was nog nooit naar een voetbalwedstrijd geweest. Ik wist niet wie wie was.
En de supporters van Zemmeren waren natuurlijk niet gelukkig toen jij daar begon te schreeuwen, zegt de man.
Ik werd daar bijna levend gevild, zegt de vrouw.
Ik geloof je, zegt de man.
Maar ja, ik wist toen toch welke ploeg Zemmeren was, zegt de vrouw. Ik wist toen toch wie wie was.
Eind goed, al goed, zegt de man. En wie heeft die match gewonnen, vraagt hij.
Stil, zegt de vrouw. Ik ben nog niet klaar.
Je bent toch niet voor de Italianen blijven supporteren, zegt de man. Hij glimlacht.
Natuurlijk niet, zegt de vrouw. Natuurlijk niet. Toen Zemmeren in de tweede helft een goal scoorde, was ik zo door het dolle heen dat ik met mijn handtas begon te zwaaien.
Met je handtas begon te zwaaien, zegt de man.
Met mijn handtas begon te zwaaien, zegt de vrouw. Ik begon als een gek met mijn handtas te zwaaien. En wat denk je dat er toen is gebeurd? Wat denk je dat er is gebeurd?
Wat is er toen gebeurd, vraagt de man.
Ja, wat denk je dat er is gebeurd, zegt de vrouw.
Ik zou het niet weten, zegt de man.
Ik zwaai en zwaai met mijn handtas en opeens vliegt die handtas uit mijn hand, zegt de vrouw. Weg handtas. Dat is er toen gebeurd.
Ai, de tas weg, zegt de man.
Ja, ik zwaai en zwaai en zwaai en die handtas vliegt uit mijn hand, zegt de vrouw. Recht het publiek in.
En toen, zegt de man.
Dat is er toen gebeurd, zegt de vrouw.
En toen, zegt de man.
En toen, zegt de vrouw. En toen? En toen niets. Mijn handtas was weg. En de autosleutels staken erin. En geld. En de autosleutels.
Ai, zegt de man. Nico zal niet goed gezind geweest zijn.
Niet goed gezind, zegt de vrouw. Niet goed gezind? Hij vilde me bijna levend. Die avond werd ik bijna twee keer levend gevild.
Dat wil ik best geloven, zegt de man. De autosleutels weg. Dat is niet niks. Ik zou me ook niet goed voelen.
Na de wedstrijd hebben we anderhalf uur naar mijn handtas en de sleutels gezocht, zegt de vrouw.
En heb je iets gevonden, vraagt de man.
Niks, zegt de vrouw. We hebben niets gevonden.
Ai, zegt de man.
Ja, ai, zeg dat wel, zegt de vrouw. Ai. Gelukkig hadden we nog reservesleutels in het hotel. Gelukkig maar.
Ja, gelukkig maar, zegt de man.
Gelukkig maar, zegt de vrouw.
Ja, gelukkig maar, zegt de man.
Ik ga nooit meer naar het voetbal, zegt de vrouw. Nooit meer. Naar die tweede wedstrijd in Italië is Nico alleen geweest.
Tja, zegt de man.
Nico zal me nooit meer vragen om mee te gaan, zegt de vrouw.
Tja, zegt de man.
Nooit meer zal hij me mee vragen, zegt de vrouw.
Tja, zegt de man.
Het tweetal komt voorbij een schoenwinkel. De vrouw blijft voor de etalage staan.
Schoenen, zegt de vrouw. Schoenen. Italiaanse schoenen. Eens kijken of er iets moois tussen staat.
Hoelang is het geleden dat je nog schoenen hebt gekocht, vraagt de man.
Dat is een mooi paar, zegt de vrouw en ze wijst naar een paar knalrode schoenen. Dat is een heel mooi paar, zegt ze.
Hoelang is het geleden dat je schoenen hebt gekocht, vraagt de man.
Ik ga naar binnen, zegt de vrouw.
Ik ga verder, zegt de man. Ik ga door naar huis. Liesbeth zal zich ondertussen wel afvragen waar ik blijf.
Mooie schoenen, zegt de vrouw. Heel mooie schoenen. Mooie kleur. Heel mooie kleur. En heel speciaal, vind je niet? Héél speciaal. Kwestie wa kost da. De prijs staat er niet bij. Ze zijn niet geprijsd. Kwestie wa kost da.
Ik ga naar huis, zegt de man.
Kwestie wa kost da, zegt de vrouw.
Liesbeth zal zich afvragen waar ik blijf, zegt de man. Ik ga van mijn werk altijd rechtstreeks naar huis.
Heel mooi paar schoenen, zegt de vrouw. Kwestie wa kost da.
Ik ga naar huis, zegt de man.
Ik ga naar binnen, zegt de vrouw.
Dag Patricia, zegt de man. Tot een volgende keer.
Dag Alexander, zegt de vrouw. Ze kijkt naar de etalage. Mooie schoenen, zegt ze. Heel mooie schoenen. Kwestie wa kost da.
Dag Patricia, zegt de man. Tot binnenkort of zo.
De vrouw zegt niets. Ze staart naar de knalrode schoenen en gaat de schoenwinkel binnen. De man loopt verder.