MANGOD  
 

Weerzien
 
De dertiger staat aan de bushalte. Hij kijkt op zijn horloge en zucht. Een sjofele, late twintiger komt aangelopen. Hij zwalpt lichtjes. Hij loopt naar de dertiger, steekt zijn hand uit en lacht breeduit.
Hoe is het ermee, vraagt hij aan de dertiger. Alles goed met jou, vraagt hij. Hij grijpt de hand van de dertiger en schudt er heftig mee. Hij snuift diep.
De dertiger bekijkt de twintiger van kop tot teen. Hoe het met me is, zegt hij. Tamelijk goed, zegt hij. Hij bekijkt de twintiger weer van kop tot teen.
Dat hoor ik graag, zegt de twintiger. Het doet me plezier dat het goed met je gaat. Dat hoor ik echt graag. Hij snuift diep.
De dertiger bekijkt de twintiger weer van kop tot teen. Kennen we elkaar, vraagt hij. Ik denk dat je je vergist, zegt hij. Ik denk dat je me met iemand anders verwisselt. We kennen elkaar niet. Ik heb je nog nooit eerder gezien.
Jawel, zegt de twintiger. Jawel, we hebben elkaar al vaker ontmoet. Ik ken je. Ik heb je al vaker gezien. Een uitstapje aan het maken?
Ik ben er zeker van dat ik je niet ken, zegt de dertiger. Ik denk dat je me met iemand anders verwisselt. Ik heb je nog nooit eerder gezien.
Een uitstapje aan het maken, vraagt de twintiger. Hij snuift diep.
Ik heb je nog nooit eerder gezien, zegt de dertiger.
Jawel, zegt de twintiger. Ik heb je al vaker gezien. Ik woon ook in Zemmeren. Net zoals jij. Ik heb je daar al vaak zien rondlopen.
Ik ben niet van Zemmeren, zegt de dertiger. Je vergist je. Je verwisselt me met iemand anders. Ik ben helemaal niet van Zemmeren. Ik kom daar ook nooit. Het is jaren geleden dat ik nog in Zemmeren was.
Dan ken ik je van hier, zegt de twintiger. Dan ben ik je hier al eens tegengekomen, zegt hij. Ja, dat zal het zijn, zegt hij. Ik ken je van hier in de stad.
De dertiger bekijkt de twintiger nog eens van kop tot teen. Het is twee jaar geleden dat ik nog hier in de stad was, zegt hij. Neen, we kennen elkaar niet, zegt hij.
Jawel, jawel, zegt de twintiger. Jawel, jawel, ik heb je al vaker gezien. Daar ben ik zeker van. Jij bent toch Roger, vraagt hij.
Neen, zegt de dertiger. Ik ben niet Roger. Ik heet Sebastiaan.
Ja, dat is het. Nu weet ik het weer. Sebastiaan. Sebastiaan, zegt de twintiger, en hij knikt heftig. Sebastiaan, zegt hij nog eens. Hij snuift diep.
En wie ben jij, vraagt de dertiger.
Noem mij maar Jack, zegt de twintiger. Jack, zegt hij. Jack, zegt hij nog eens.
En hoe gaat het met jou, Jack, vraagt de dertiger.
Slecht, antwoordt de twintiger. Slecht, herhaalt hij. Ik ben een half jaar geleden gescheiden. Slecht, zegt hij nog eens. Hij snuift diep. Een half jaar geleden gescheiden. En ik was nog maar een jaar getrouwd. Één jaar. Het ging niet meer. Niets meer aan te doen. Hij snuift weer diep.
Ach, zegt de dertiger.
Heb je een sigaret voor mij, Roger, zegt de twintiger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Heb je een sigaret voor mij, Sebastiaan, zegt de twintiger.
De dertiger diept een pakje op en biedt hem een sigaret aan.
Mag ik er ook een voor straks, vraagt de twintiger.
De dertiger stopt twee sigaretten in zijn hand.
Dank je wel, zegt de twintiger. Hij lacht breeduit. Je bent een goeie kerel, Roger, zegt hij. Dank je wel, Roger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Dank je wel, Sebastiaan, zegt de twintiger. Dank je wel.
Ze steken allebei een sigaret op.
Een half jaar geleden gescheiden, zegt de twintiger. En ik was nog maar één jaar getrouwd. Één jaar. Het ging niet meer. Niets meer aan te doen.
Tja, zegt de dertiger.
Één jaar getrouwd, zegt de twintiger. Niets meer aan te doen. Allemaal de schuld van die coke. Die vervloekte coke. En de drank. Die vervloekte drank. Hij snuift diep. Één jaar zijn we getrouwd geweest. Niets meer aan te doen.
De dertiger zegt niets. Hij kijkt op zijn horloge en zucht.
Een half jaar geleden zijn we gescheiden. Zij heeft alles gekregen. De auto. De kinderen. Het huis. De auto. Alles heeft ze gekregen. Alles. Hij snuift diep.
Zo gaat dat, zegt de dertiger.
De kinderen, het huis, de auto. Alles, zegt de twintiger. En met jou, alles goed, zegt hij.
Ik heb ook wel mijn problemen, zegt de dertiger.
Alles heeft ze gekregen, zegt de twintiger. Alles, herhaalt hij. En de auto was nog maar net afbetaald.
Ik heb ze ook wel, mijn problemen, zegt de dertiger.
Alles, zegt de twintiger weer. Alles, zegt hij nog eens. Hij snuift diep. En de auto was nog zo goed als spiksplinternieuw. Net afbetaald.
Ik had een nieuwe flat op het oog, zegt de dertiger. Alles leek in orde. Ik moest alleen nog maar tekenen. En op het laatst ging het toch niet door.
De auto, de kinderen, het huis. Alles heeft ze gekregen, zegt de twintiger. Alles. Hij snuift diep. Allemaal de schuld van die coke. Die vervloekte coke en die vervloekte drank. Alles ben ik kwijt.
Het was een prachtige flat, zegt de dertiger. En niet te duur.
Alles, zegt de twintiger nog eens.
De dertiger kijkt op zijn horloge. De bus is precies laat, zegt hij.
Die komt zo wel, zegt de twintiger. Hij snuift diep. Mijn werk ben ik ook verloren, zegt hij. Ik was zo van de kaart dat ik me niet meer kon concentreren. Werk kwijt. En ik had die job nog niet zo lang.
Dat is niet niets, zegt de dertiger.
Een droomjob, zegt de twintiger. Zo’n job vind ik nooit meer.
Erg, zegt de dertiger.
Vrouw weg, kinderen weg, geen auto meer, geen eigen huis meer én werk kwijt. En ik had die job nog niet zo lang. Een droomjob.
Dat is niet niets, zegt de dertiger.
Zeg dat wel, zegt de twintiger. Zeg dat wel. Hij schraapt zijn keel. Mag ik je iets vragen, zegt hij.
Geen geld, zegt de dertiger.
Alleen maar één euro, zegt de twintiger. Één euro. Één maar.
Ik heb echt niet te veel geld, zegt de dertiger.
Vijfenzeventig cent, zegt de twintiger. Ik kom vijfenzeventig cent tekort voor de bus. Vijfenzeventig cent. Die kun je toch wel missen, Roger, zegt hij en hij lacht breeduit.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Die kun je toch wel missen, Sebastiaan, zegt de twintiger en hij lacht weer.
De dertiger zucht. Die kan ik wel missen, zegt hij en hij diept zijn portefeuille op.
De twintiger lacht en steekt zijn hand uit. De dertiger legt er enkele munten in. Zo, precies vijfenzeventig cent, zegt hij. Die kan ik net missen.
De twintiger lacht nog eens. Dank je wel, Roger, zegt hij.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Dank je wel, Sebastiaan, zegt de twintiger. Je bent een goeie kerel. Dank je wel. Hij snuift diep.
Graag gedaan, zegt de dertiger. Het zou spijtig zijn als je niet thuis geraakt omdat je vijfenzeventig cent tekort komt.
Dank je wel, Sebastiaan, zegt de twintiger nog eens.
Volgende keer dat we elkaar tegenkomen, gaan we iets drinken, zegt de dertiger. Op jouw kosten, zegt hij.
Beloofd, zegt de twintiger.
De dertiger kijkt op zijn horloge. Ik hoop dat ik de bus niet gemist heb, zegt hij.
Die komt zo wel, zegt de twintiger. Hij steekt zijn hand op. Dag Armando, dag Liesbeth, roept hij.
Een jong koppel dat aan de overkant van de straat voorbijkomt, blijft staan. De jongen en het meisje steken ook hun hand op. Dag Jack, roepen ze beiden in koor.
Wacht even, zegt de twintiger tegen de dertiger. Wacht even, ik ben zo terug.
De dertiger zegt niets. Hij kijkt op zijn horloge. De twintiger steekt de straat over en begint druk tegen het koppel te gebaren. Af en toe kijkt hij naar de dertiger en glimlacht naar hem. Hij blijft even bij het koppel staan en komt dan terug naar de dertiger.
Heb je nog een sigaret voor me, zegt hij. Dan hou ik die twee die je me gegeven heb voor straks.
De dertiger zucht. De laatste dan, zegt hij. Het geld groeit niet op mijn rug, zegt hij. Hij zucht weer.
De twintiger graait gretig in het hem toegestoken pakje. Dank je wel, Roger, zegt hij. Je bent een goeie kerel. Ik zal ze op jouw gezondheid oproken, zegt hij. Dank je wel, Roger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Dank je wel, Sebastiaan, zegt de twintiger. Dank je wel, Sebastiaan, zegt hij nog eens en hij steekt de sigaret op.
De dertiger kijkt op zijn horloge. Hij zucht.
Die coke, zegt de twintiger. Die vervloekte cocaïne is de schuld van alles. Hij snuift diep. Die coke en die drank.
De dertiger kijkt op zijn horloge.
Die vervloekte coke en die vervloekte drank, zegt de twintiger. Hij snuift diep. Alles ben ik kwijt. Vrouw, kinderen, huis, auto, werk. Alles. En die auto was nog maar net afbetaald. Spiksplinternieuw was die nog. Zo goed als spiksplinternieuw. Net afbetaald.
De dertiger zegt niets.
En met jou dus alles goed, zegt de twintiger.
De dertiger zegt niets.
Met jou alles goed, zegt de twintiger.
De dertiger zucht. Tamelijk, zegt hij. Ik mag niet klagen.
Weet je wat, Roger, zegt de twintiger. Weet je wat, ik ga in de stad iets drinken. Hij snuift diep. Ik heb dorst gekregen van onze babbel, zegt hij. Het was fijn om je nog eens terug te zien, Roger. Hij tikt de dertiger op de schouder. Hij werpt zijn sigarettenpeuk weg. Dank je wel, Roger, zegt hij. Je bent een goeie kerel. Dank je wel, Roger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
En tot ziens, Roger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
Tot binnenkort, Roger.
Sebastiaan, zegt de dertiger.
De twintiger loopt, lichtjes zwalpend, richting het centrum. De dertiger kijkt op zijn horloge. Hij zucht.